Parijs

Geweer in de aanslag


Op zondag ga je jagen. Dat is traditie. En dat is niet voor de lol, nee: het gezin moet gevoed.

Ik hoorde laarzen stampen, buiten op straat. Er klonk ook geschreeuw. Het was 9 uur ’s morgens, op een zondag. Dus ik stond snel op uit bed, wreef in mijn ogen en keek uit het raam.

En daar, op straat, liep een legertje mannen in groene pakken met geweren op hun rug.

Ach ja, dat was ik vergeten: het jachtseizoen is geopend. Die mannen buiten, dat waren onze buurmannen. Sinds eind september trekken ze elke zondagochtend hun camouflagepakken aan, ontgrendelen ze hun jachtgeweren en gaan ze lachend en pratend op zoek naar herten en everzwijnen. Weken van tevoren worden al metershoge houten uitkijkposten neergezet langs de bosrand. Onderling worden afspraken gemaakt: wordt het een drijfjacht of individuele jacht? En met de buurgemeente worden paaltjes in de grond geslagen: de jachtgrens tussen het ene en het andere dorp.

En ik moet bekennen: onze kijk op de jacht is veranderd. Als stadse Nederlanders waren we alleen maar afkeurend, met tv-beelden van bloedende en lijdende dieren in ons achterhoofd. Maar nu, wonend op het plattenland, zien we ook een andere kant. De dieren zijn hier met grote voorsprong in de meerderheid. Zo ver het oog reikt is er rondom ons huis bos en daar zien we herten en everzwijnen in overvloed. Een buurvrouw vertelde ons laatst hoe ze ’s nachts wakker werd van verdachte geluiden, uit het raam keek en daar een kudde van 20 everzwijnen zag staan wroeten bij haar tuinhek. Maar misschien nog wel belangrijker: de inwoners van ons dorp zijn geen dierenbeulen of plezierschieters. Voor hen is de vangst op zondag vaak een noodzakelijke aanvulling in de koelkast. Hier wonen gewone Fransen die het niet al te breed hebben.

Om ons heen teelt bijna iedereen zijn eigen groente en fruit. De dieren die zondag worden geschoten, worden nog dezelfde dag verdeeld onder de jagers, ‘klaargemaakt’ en deels opgegeten, deels ingevroren. Zo gaat het al decennia. Maar soms wordt het ons nog weleens te gortig. De boer, drie huizen verderop, houdt in een kleine wei geitjes. Soms gingen onze kinderen die voeren. Tot we merkten dat de beestjes al heel snel weer waren verdwenen. Een seizoen later stonden er weer nieuwe kleine geitjes, maar ook die waren razendsnel weer vertrokken. We zochten er eerst niets achter. Maar op een recent straatfeest werd onze kinderboerderij-idylle wreed verstoord. Ik zei tegen de boer: “Die geitjes van u zijn altijd heel leuk.” De boer: “Ja, en ook heel lekker.”

  • E-mail dit Artikel
  • RSS feeds
  • Nieuwsbrief