Nederlandse bedrijven staan niet te springen om aan de slag te gaan in Uruzgan. Voor de subsidiepot van 10 miljoen euro van het ministerie van Economische Zaken is slechts één aanvraag in behandeling. Ook VNO-NCW heeft moeite bedrijven te vinden die in het land willen investeren.
investeren in afghanistan | ondernemen
“Natuurlijk speelt de veiligheid een rol”, zegt kolonel Sjaak Duine, die vanuit het ministerie van Defensie bij VNO-NCW is gedetacheerd als projectcoördinator Economische Wederopbouw Afghanistan. “Ik zou laatst met twee bedrijven naar Kaboel gaan, maar dat werd door de Nederlandse ambassade daar afgeraden. Los daarvan spelen ook het taal- en cultuurprobleem en het ontbreken van een goede zakelijke infrastructuur een rol.”
In oktober 2007 brachten Bernard Wientjes (VNO-NCW), Jan Kamminga (FME-CWM), Elco Brinkman (Bouwend Nederland), Jan Bout (Royal Haskoning) en Dick Scherjon (Rabobank Nederland) een bezoek aan Uruzgan. Toen werd de Werkgroep Economische Wederopbouw opgericht om het bedrijfsleven te stimuleren aan de slag te gaan in Afghanistan. Twee jaar later hebben de zeer beperkte activiteiten van Nederlandse bedrijven in Afghanistan vooral het karakter van ontwikkelingshulp, met de nadruk op landbouw. Zo is het bedrijfje GSE sinds enkele jaren in Uruzgan bezig met het opzetten van de saffraanteelt. Daarvoor heeft GSE 2,2 miljoen euro subsidie gekregen van de Nederlandse overheid. In 2007 zijn de eerste saffraanbollen gepoot; vorig jaar was de eerste oogst, waarvan een deel is geëxporteerd naar Spanje. Inmiddels is 100 hectare landbouwgrond in Uruzgan met saffraan beplant. De boeren krijgen 3.000 dollar per kilo saffraan, overeenkomend met de prijzen op de wereldmarkt. Met een deel van de oogst moeten ze hun gesubsidieerde investering in saffraanbollen terugbetalen. “We willen de boeren een goede prijs bieden, ook al is de eerste oogst vaak nog niet van goede kwaliteit”, zegt Lou Cuypers van GSE. “Daarvoor zetten we de subsidie in. Als straks de eerste plantcyclus van vijf jaar is afgerond, moet dit gewone handel worden en dan moeten niet alleen de Afghaanse boeren maar ook wij er geld aan kunnen verdienen.”
Zover is het nog lang niet, beseft Cuypers. “We lopen tegen de gebrekkige logistiek aan. Er is één weg tussen Kandahar en Tarin Kowt en die wordt beheerst door een warlord . We gaan nu een transport- en logistiek centrum opzetten om dat probleem aan te pakken. Als dat er eenmaal is, wordt het ook voor andere bedrijven interessant hier zaken te doen. Er zijn best bedrijven die interesse hebben in Afghaanse producten, maar die hebben geen zin zelf de hele handelsketen op te zetten. De echte vrije handelsjongens zie je hier nog niet.”
Een ander bedrijfje dat in Afghanistan aan de slag wil, is Tradin, dat zich richt op de productie en verwerking van amandelen. Er zijn plannen voor een kleine fabriek bij Tarin Kowt. Tradin wil de bestaande productie- en handelsketen, waarin talloze lokale tussenpersonen actief zijn en waarbij de amandelen uiteindelijk in Kaboel met een hamertje uit de noot worden gehaald, verkorten. Daardoor krijgen de boeren meer geld en is de exportprijs mogelijk ook aantrekkelijker. Ook Tradin krijgt subsidie.
De andere Nederlandse plannen hebben een hoog ‘goed doel gehalte’. Het door Nuon opgerichte maar inmiddels verzelfstandigde Fres wil in Afghanistan kleine commercieel opererende energiebedrijven oprichten die energie opwekken met zonnepanelen. Fres heeft daarmee ervaring in Afrika, maar de Nederlandse ambassade in Kaboel liep tot voor kort niet echt warm voor de plannen. Een combinatie van Royal Haskoning en de TU Delft heeft een plan op gebied van watermanagement, maar ook daar zijn er nog geen concrete afspraken.
Tot grote handelsstromen leiden de Nederlandse inspanningen niet. De officiële export van Afghanistan naar Nederland bedroeg de afgelopen jaren ongeveer een ton. In omgekeerde richting had de handel een waarde van 22 miljoen euro: vooral voedingswaren en geneesmiddelen.
VNO-NCW en Defensie blijven hun best doen. Er is zelfs een speciale verzekering geregeld voor bedrijven die in Afghanistan aan de slag willen, en binnenkort gaat er een Nederlandse afgevaardigde naar Kaboel om de contacten tussen Nederlandse en Afghaanse bedrijven te verbeteren. De matchmaker moet in één jaar tijd twintig Nederlandse bedrijven aan Afghaanse partners koppelen. “Dit soort trajecten gaat heel langzaam”, zegt Duine. “Maar ze zijn voor de ontwikkeling van Afghanistan wel heel belangrijk. Mensen die werken schieten niet. Maar ja, het is wel een kip-en-ei-verhaal. Zolang er wordt geschoten, staan Nederlandse bedrijven niet te springen om aan de slag te gaan.”
Ehsan Turabaz, president van de Nederlands-Afghaanse Business Council, die slechts een handjevol leden heeft, hoopt dat ondanks de ‘fragiele veiligheidssituatie’ meer Nederlandse bedrijven de weg naar Afghanistan zullen vinden. “Er is zo veel te doen in Afghanistan op terreinen waar Nederland veel kennis heeft. Water, landbouw, infrastructuur. Natuurlijk, bedrijven schrikken als ze horen van bomaanslagen en bermbommen, maar er liggen echt kansen.” Een iets eenvoudiger subsidieregeling dan de bestaande, nauwelijks gebruikte regeling, zou helpen, denkt Turabaz. “Deze regeling sluit niet aan bij de Afghaanse praktijk. Je kunt van een bedrijf daar niet verwachten dat ze precies weten hoeveel omzet ze over twee jaar maken.”
Volgens Cuypers, die het merendeel van het jaar in Afghanistan verblijft, is de veiligheidssituatie in Uruzgan “heel lastig”. “En ik heb de indruk dat het de laatste tijd lastiger is geworden. Maar als je low profile opereert, kun je prima je werk doen in Afghanistan. Er is nog geen saffraantransport op een bermbom gereden. Als dat gebeurt is het snel afgelopen.”
[ andré de vos ]
Auteur(s): André de Vos
Bron: FEM Business , jaargang 12 , nummer 39 , datum 26-9-2009
Abonneer u op de gratis dagelijkse nieuwsbrief van fembusiness.nl
Neem een (proef)abonnement op FEM Business