Windindustrie

Overstag


Twee windbedrijven gingen onlangs failliet. Hun ondergang past naadloos in de reeks faillissementen die de Nederlandse sector kenmerkt. Is er nog hoop voor de windindustrie in Nederland?

windindustrie | omslagartikel

D arwind was dé hoop van de Nederlandse windindustrie. Het bedrijf werkte aan een innovatieve turbine – de kast achter de wieken waar de elektriciteit wordt opgewekt – zonder ‘versnellingsbak’. Zo had de machine veel minder onderhoud nodig dan normale windmolens. Ideaal dus voor windparken op zee, waar reparaties lastig, tijdrovend en daardoor duur zijn. Met een beetje geluk kon Darwind een potentiële concurrent worden voor reuzen als Vestas, Gamesa en General Electric.


Ook bladenbouwer Polymarin, dochterbedrijf van turbinebouwer EWT van Dragon’s Den -investeerder Henk Keilman, had grootse plannen. In oktober vorig jaar werd vol trots de bouw aangekondigd van een productielocatie in Little Rock, Arkansas. De investering van 16 miljoen dollar zou werk gaan bieden aan 630 man.

De werkelijkheid bleek ontnuchterend anders. Zowel Darwind als Polymarin gingen onlangs failliet. Eerstgenoemde werd meegesleurd in de val van moederbedrijf Econcern. Darwind is inmiddels overgenomen door het Chinese industriële conglomeraat XEMC. Voor Polymarin werd geen koper gevonden.

Zijn de recente faillissementen van Darwind en Polymarin illustratief voor de huidige stand van zaken in de Nederlandse windsector? Of zit er toch nog leven in deze bedrijfstak, waarin steeds meer wordt geïnvesteerd (zie grafiek pagina 34)?


Faillissementen


Feit is dat faillissementen een rode draad zijn in de Nederlandse windsector. Iconen als Lagerwey, Windmaster en Zephyros redden het in het verleden niet. Darwind en EWT bouwen met hun direct drive -technologie voort op de erfenis van Henk Lagerweij, die met zijn bedrijf Lagerwey geldt als grondlegger van de Nederlandse windturbinebouw. “Wij probeerden mee te gaan met de ontwikkeling van steeds grotere machines, maar waren te laag gefinancierd”, blikt Lager-weij terug. “Je moet heel diepe zakken hebben om te kunnen produceren. Bovendien had ik geen groot moederbedrijf achter me staan.”


Hoogleraar windenergie Gijs van Kuik van TU Delft wijst ook op de kleine thuismarkt én het wispelturige stimuleringsbeleid van de overheid. In Denemarken lukte het met Vestas immers wél om een wereldspeler te creëren. “In het verleden zijn er te veel wisselingen geweest in het subsidiebeleid. Daar worden afnemers horendol van. Die willen zekerheid voor de lange termijn.” Daarnaast, zo erkent Van Kuik, ontbrak het in Nederland vaak aan goed management. “Je moet van goede huize komen om de snelle groei in deze markt bij te kunnen houden.” 
 De weinige fabrikanten van eigen bodem zijn dwergen vergeleken met Vestas cum suis, die jaarlijks duizenden megawatts plaatst (zie grafiek pagina 34). Zo bouwt EWT dit jaar naar verwachting slechts 40 turbines. Volgens de onlangs aangetreden bestuursvoorzitter Eric Bakker van EWT leidde een conflict over kwaliteit met de twee grootste opdrachtgevers tot het faillissement van Polymarin. De turbinebouwer weigerde de helpende hand toe te steken. “Polymarin had een kapitaalinjectie nodig van zo’n 5 miljoen euro. Dat geld steek ik liever in de kernactiviteit van EWT, de ontwikkeling van turbines. De levering van bladen aan derden leidde af en leverde een lage marge op.”

EWT moet bovendien eerst nog zien dat het zijn eigen toekomst veiligstelt. Na een afgeblazen beursgang en financieringsproblemen maakt het bedrijf, waar voormalig ABN Amro-topman Rijkman Groenink commissaris is, een “herstart”, zegt Bakker. “Met een herfinanciering willen we vóór december 20 miljoen euro ophalen om niet uit de kaspositie te lopen.” Met dat nieuwe werkkapitaal moet de ontwikkeling van een nieuwe turbine worden voortgezet. Ook wil Bakker de verkoop van de bestaande turbine flink stimuleren om zo de naam van EWT te vestigen. De voormalige directeur van BP Wind Energy heeft daarbij vooral hoge verwachtingen van China. “Daar is de orderportefeuille goed gevuld.” Volgend jaar moeten er “vele malen” meer turbines worden gebouwd dan de 40 van dit jaar. Lagerweij, nestor van de windsector, heeft zijn twijfels: “EWT rommelt maar wat aan.” 


Opleving 


Door de reeks faillissementen en de wankele status van EWT lijkt de Nederlandse windindustrie op sterven na dood. Die conclusie is echter voorbarig. Bij een rondgang in de sector wordt zelfs gesproken over een voorzichtige opleving. “De laatste drie jaar zit er juist weer groei in”, zegt Frank Hoogers, directeur van Wind Energy Solutions (WES) uit het Noord-Hollandse Opmeer. Hij is zelf een exponent van die opleving. WES, net als Darwind en EWT een spin-off van Lagerwey, maakt kleine turbines voor gebruik bij boeren en op plekken zonder elektriciteitsnetwerk, zoals eilanden. “Vestas concurreert door zijn omvang met kolencentrales, wij met dieselgeneratoren.” Na een aarzelende start begin dit jaar (“Iedereen wachtte af vanwege de crisis”) rollen de orders weer binnen bij WES. “Jaarlijks verdubbelt onze omzet. We leveren overal, behalve in Nederland. Hier duren de vergunningsprocedures voor windmolens veel te lang.”


Hoogers staat niet alleen. Ook marktkenners als hoogleraar Van Kuik en Theo de Lange, unitmanager windenergie bij Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN), bespeuren nieuw leven in de Nederlandse windindustrie. Niet in de vorm van productie, maar op de tekentafel. Zo is Henk Lagerweij sinds 2006 weer actief, maar dan als ontwerper van turbines. Met succes. “Het orderboek zit vol. Drie jaar geleden waren we met z’n vieren, nu werken we met vijftien man aan turbines voor windparkontwikkelaars uit landen als Brazilië en India.” Daarbij past Lagerweij nog steeds zijn eigen direct drive -techniek toe. “We ontwikkelen nu een turbine van 2 megawatt.” 
 Ook ingenieur Cees Versteegh (ex-Zephyros) ontwerpt steeds meer kleinere turbines voor het buitenland, terwijl start-up 2-B Energy werkt aan relatief goedkope windmolens voor op zee (zie kader op pagina 31). En in Duitsland draait sinds kort de eerste windmolen van Advanced Tower Systems (ATS). Door het gebruik van een betonnen onderkant kan die veel hoger worden dan huidige constructies, waardoor hij boven bossen en gebouwen uit wind kan vangen. 
 De kennisintensieve windsector heeft ook internationaal school gemaakt. “Qua technologie en kennis maken we deel uit van de voorhoede in de wereld”, meent hoogleraar Van Kuik, die elk jaar meer studenten windtechniek op zijn faculteit verwelkomt. “Het buitenland komt daarom hier naartoe.” 
 Siemens vestigde bijvoorbeeld in 2007 een van zijn windkenniscentra in Den Haag, en AE Rotortechniek uit Hengelo zet binnen het Indiase Suzlon de lijnen uit als het gaat om rotorbladen. Het Japanse Harakosan nam in 2005 de inboedel van het failliete Zephyros over. En of de Darwind-turbine hier wordt geassembleerd hangt volgens directeur Van den Brekel af van de gretigheid van de overheid om zulke industrie te faciliteren, maar ondanks de overname door XEMC blijft de ontwikkeling wel binnen de landsgrenzen. De Chinezen maken al enkele jaren in licentie turbines met Lagerwey-techniek. Van Kuik, met een wrange verwijzing naar Darwind en Zephyros: “Buitenlandse bedrijven kopen hier alles op.”

Omdat het in Nederland nooit is gelukt al die kennis te vertalen naar grootschalige eigen productie, heeft de windsector in Nederland een bescheiden omvang. SenterNovem schat dat de sector werk biedt aan zo’n 5.000 mensen. Gegevens over de economische omvang ontbreken, SenterNovem weet alleen dat er vorig jaar 850 miljoen euro werd geïnvesteerd in windenergie. Maar dat geld ging dus ook naar buitenlandse producenten. 


Race 


Volgens diverse marktkenners zal de Neder-landse windindustrie het vooral moeten hebben van windenergie op zee. Dat geldt niet alleen voor offshorebedrijven als Fugro en Ballast Nedam (zie kader op pagina 32), maar ook voor turbinebouwers. “Op offshoregebied is het nog geen gelopen race”, toont ECN’er De Lange zich optimistisch. “Op zee heb je betrouwbare turbines nodig tegen lage kosten. De huidige offshoreturbines zijn nog duur en hebben vanwege de extreme omgeving met zoute lucht een veel hoger uitvalpercentage dan op het land. Zo zijn er nogal wat problemen met tandwielkasten. Op dat gebied, met bijvoorbeeld direct-drivetechnologie, maken wij zeker nog kans op een leidende positie in de windmolenmarkt.”

Op de Noordzee staat een grote reeks windparken gepland. “Er is absoluut ruimte voor nieuwe spelers”, zegt Van Kuik van TU Delft. Flow, een samenwerkingsverband van turbinebouwers, energiebedrijven, kennisinstituten en aannemers, wil voor de kust van Callantsoog een demonstratiepark aanleggen.


EWT-ceo Bakker wijst er wel op dat offshore-turbines een enorme investering vergen. “Alleen al de ontwikkeling kost 150 tot 200 miljoen euro”, schat hij. “Dan moet je ook nog werkkapitaal zien te vergaderen om met de productie te kunnen starten. Zoiets is alleen mogelijk met een groot balanstotaal.” De omvang van een dergelijk avontuur is de reden dat Bakker zich beperkt tot middelgrote landturbines. Zijn (bescheidener) doel is de tweede leverancier van direct-driveturbines te worden, na het Duitse Enercon. 
 Het Chinese XEMC, de nieuwe eigenaar van Darwind, heeft wél een balanstotaal om fors te investeren. “De toekomst ziet er beter uit dan onder Econcern”, meldt Darwind-directeur Vincent van den Brekel. “We hebben nu de kapitaalkrachtige, industriële moeder die we al lang zochten. We worden niet de zoveelste producent in Europa die moet opboksen tegen de grote jongens, maar krijgen een leidende positie in China.” Vol vertrouwen: “Onze ambitie is de Vestas van de offshore te worden.”


[ jacco.neleman @reedbusiness.nl ]

Windmolen voor weinig

Windmolens op zee zijn veel duurder dan dergelijke constructies op land. Met die gedachte ging Herbert Peels, ingenieur bij GE Energy, samen met een compagnon in 2007 aan de slag bij de ontwikkeling van een nieuwe windmolen onder de noemer 2-B Energy. Het resultaat is een turbine met twee rotorbladen en een toren met een open vakwerkstructuur. “Je hebt een kostenvoordeel omdat er minder materiaal nodig is”, legt Peels uit. Hij maakt, in tegenstelling tot alle Lagerwey-nazaten, geen gebruik van direct drive . “Dat is geen bewezen techniek.” Volgens hem is er vanuit de markt veel belangstelling voor de relatief grote windmolen van 6 megawatt. 2-B Energy heeft inmiddels 4 miljoen euro opgehaald bij drie private investeerders. Eind volgend jaar moet een prototype klaar zijn, na een periode van certificering wil Peels in 2013 starten met de productie van de windmolens. Waar is nog niet bekend. “Die keuze moeten we nog maken.”

Offshore kampioen


Bij het bouwen van windturbines mag Nederland dan een dwerg zijn, als het gaat om windmolens op zee plaatsen blazen Nederlandse bedrijven wel degelijk hun partijtje mee. Geen wonder, want hier is natuurlijk historisch veel offshorekennis aanwezig. Zo bouwt Heerema voor de Engelse kust een groot windpark en doet Van Oord hetzelfde in Belgische wateren. Het Bredase Tideway legt het leidingennetwerk aan van dat windpark. Ballast Nedam zet sinds vorig jaar een speciaal schip in dat windmolens op zee installeert. De aannemer ziet “goede kansen voor offshore windmolenparken in Europa”. De fundamenten ( monopiles ) voor die windmolens worden hoofdzakelijk gebouwd door Smulders Groep en SIF, ook twee Nederlandse bedrijven. Om windmolens goed te kunnen bereiken hebben onderzoekers van TU Delft een hydraulisch platform ontwikkeld, de Ampelmann . Dat platform compenseert de schommelingen van het schip, zodat bijvoorbeeld onderhoudsmonteurs zelfs bij hoge golven kunnen overstappen. Dit najaar gaat de Ampelmann Company van start. Bij bodemonderzoeker Fugro compenseren de opdrachten van windpark-ontwikkelaars de licht teruglopende investeringen door olie- en gasbedrijven. Nieuwe onderwaterrobots aanschaffen hoeft niet. “We gebruiken dezelfde apparatuur als bij olie- en gasplatforms”, meldde topman Klaas Wester bij de presentatie van de halfjaarcijfers. Zijn bedrijf voert momenteel bodemonderzoek uit voor zo’n zes windparken, voornamelijk op de Noordzee.

Grote jongens

Duitse en Spaanse namen duiken het vaakst op boven in de lijst van grootste windturbinefabrikanten ter wereld. Maar het DeenseVestas(omzet 6 miljard euro) is marktleider met een marktaandeel van bijna 20 procent en tot op heden wereldwijd bijna 40.000 geïnstalleerde windmolens. Zo zijn de enige twee Nederlandse offshore-windparken voorzien van Vestas-machines. De crisis raakt ook de duur-zame energiesector, en daarmee de windturbinebouwers. De orderstroom nam in de eerste maanden van dit jaar fors af. Vanwege de ingezakte vraag was Vestas gedwongen in Europa 1.500 man te ontslaan. Ook de concurrentie zette flink het mes in de kosten. De dunnere orderboeken komen nog niet tot uiting in de financiële resultaten. De omzet van Vestas steeg in de eerste helft van dit jaar met 29 procent. De Denen verwachten voor het hele jaar nog steeds een 20 procent hogere omzet dan in 2008. BijGamesableef in de eerste helft van dit jaar de omzet op peil, terwijl bijGeneral Electricde ‘windomzet’ in het tweede kwartaal juist met 8 procent toenam. De fabrikanten rekenen voor de komende maanden op een groei van het aantal orders, vooral op basis van stimuleringsprogramma’s van nationale overheden.

  • E-mail dit Artikel
  • RSS feeds
  • Nieuwsbrief