Ruim een jaar geleden was Budelpack nog een ambitieus verpakkingsbedrijf met meer dan 2.000 werknemers. Nu probeert de curator uit een failliete boedel te redden wat er te redden valt. Wat ging er mis bij het bedrijf dat in 2001 nog meer dan een miljard euro’s verpakte?
Voor een man wiens levenswerk bijna naar de ratsmodee is, klinkt André Nieuwkerk opvallend rustig. Ja, het is spijtig en pijnlijk wat er met zijn schepping is gebeurd. Zijn handen jeukten weleens. Maar wat kon hij doen, behalve afstand bewaren?
In 2007 verkocht Nieuwkerk het grootste deel van Budelpack. Anderen namen zijn schepping over, zij hadden de verantwoordelijkheid. Toch, het faillissement van het bedrijf dat hij in 1971 oprichtte, beroert hem. “Het raakt je wanneer je onderneming te gronde gaat,” zegt hij door de telefoon.
“Maar misschien,” vult hij aan, “valt het nog mee.” De holding is failliet, maar de meeste fabrieken draaien nog. “Dat is toch het belangrijkste.” De verkoop van de Budelpack-boedel is in handen van curator Mart Franken. In Duitsland heeft hij een fabriek verkocht, met fabrieken in Frankrijk en Portugal is hij bezig. Twee andere fabrieken vallen onder buitenlandse surseance-aanvragen. Voor de gloednieuwe fabriek in Roosendaal, waar onder meer wasbuiltjes werden gemaakt, vond hij geen koper. Die is gesloten.
Hoe kon het zover komen met een bedrijf dat goede vooruitzichten had? Dat producten verpakte voor bedrijven als Unilever, Sara Lee, Henkel en Colgate, en nog geen jaar geleden meer dan 2.000 mensen in dienst had in zeven West-Europese landen. Pech? Slechte strategie? De crisis? Hebben de nieuwe eigenaars – private-equityhuizen Greenfield Capital en Dinvest – geblunderd? Hebben zij de kosten voor de overname geparkeerd op de balans van Budelpack, en is dat soms aan hoge schulden ten onder gegaan? Curator Franken: “Aan het beantwoorden van die vragen ben ik nog niet toegekomen. In juni hoop ik het complete beeld te hebben.”
Het is een zonnige dag in 2001. FEM ontmoet André Nieuwkerk en medebestuurder Peter Ingelse in een loods in Lelystad. Werknemers verpakken er euromunten. Normaliter doet Budelpack dat niet, maar de opdracht van De Nederlandsche Bank om in een paar maanden 1,2 miljard gloednieuwe euro’s te verpakken op een nieuwe productielijn, is voor Nieuwkerk te interessant om te laten lopen. De munten moeten in zakjes, mapjes en, voor winkeliers, in rollen worden gestopt. Ook vult Budelpack de ‘Zalm-kit’, het naar de minister van Financiën Gerrit Zalm genoemde mapje met acht munten, dat alle 16,3 miljoen Nederlanders krijgen bij de introductie van de euro.
Nieuwkerk en Ingelse zijn optimistisch. Budelpack heeft elf fabrieken, waarvan vier in Nederland. Het verpakt onder meer shampoos, diepvriesgroenten, droge voedingsmiddelen en cosmetica. Maar Budelpack doet meer: het máákt ook consumentenproducten. De ene dag produceert en verpakt het voor Unilever Andrélon-shampoo, de volgende dag op dezelfde productielijn een shampoo van een concurrent. Dat is kosteneffectief. Bovendien zijn fabrikanten van merkartikelen zo van hun productiewerk verlost. Zij kunnen zich richten op het bedenken, ontwikkelen en verkopen van producten. Dat de Andrélon-shampoos uit dezelfde fabriek komen als die van de concurrent, ach, wat kan de consument dat schelen. Die kijkt naar merken.
‘We werken soms wel 20 procent goedkoper dan de merkfabrikanten’, zegt Nieuwkerk in 2002 tegen Het Financieele Dagblad . Hij heeft het gevoel de tijd mee te hebben. Lange tijd deden producenten van fast moving consumer goods niet aan uitbesteding van productie. Maar dat dogma slijt. Wat bedrijven als Philips al langer doen, komt ook bij de Unilevers en Sara Lee’s in zwang. Studies van bureaus als McKinsey bevestigen het: outsourcen is de trend.
Nieuwkerk springt daarop in. Hij heeft fabrieken van Unilever gekocht in Bodegraven en bij het Spaanse Toledo. Eerder kocht hij van Sara Lee een fabriek in Spanje. In 2004 koopt hij een Franse shampoofabriek van Henkel, en een jaar later een van Colgate in Portugal. Met de verkopers sluit hij langlopende contracten af voor de fabricage van ‘hun’ producten. Dat lijkt een solide basis onder het bedrijf te zetten.
In 2005 blijken de zaken echter niet gesmeerd te lopen. De outsourcetrend hapert bij de fast moving consumer goods. Wanneer Unilever in 2003 een deel van zijn productie terughaalt naar een eigen fabriek in Polen, moet de shampoofabriek in Bodegraven dicht. In Spanje blijken leveranciers als Sara Lee minder producten te leveren dan was toegezegd. Nieuwkerk: “Als de multinationals hun eigen productielijnen niet volledig benutten, haalden ze de uitbestede productie terug.”
Gerhard Jansen Venneboer, president-commissaris van Budelpack: “In de markt van Budelpack gaat het om flinterdunne marges. Als een klant van één vestiging opeens minder producten wil laten maken, dan is dat op te vangen. Maar het gebeurde vaker.”
Dat de zaken bij Budelpack in 2005 en 2006 matig lopen, blijkt uit de jaarverslagen die bij de Kamer van Koophandel zijn gedeponeerd. Terwijl het bedrijfsleven floreert, lijdt Budelpack in 2005 een verlies van 1,7 miljoen euro. In 2006 schrijft het, dankzij een bijzondere bate van 6 miljoen euro, nog net zwarte cijfers.
Ondanks die magere resultaten is er eind 2006 een aantal partijen dat Budelpack wil kopen. Nieuwkerk wil zijn schepping te gelde maken. Hij nadert de 60 en zijn vrouw is ernstig ziek. Met financiële steun van de private-equityhuizen Greenfield Capital en Dinvest komt het tot een management buy-out. Chris Moerkerken, Jan Bakker en Peter Ingelse, alle drie al jaren werkzaam bij Budelpack, krijgen de leiding over én een deelbelang in het bedrijf. Moerkerken wordt ceo, Nieuwkerk wordt commissaris en blijft dat tot medio 2008. Greenfield is de grootste aandeelhouder. Alleen een fabriek in Poortvliet, waar sauzen, dressings en oploskoffie worden verpakt, valt buiten de verkoop en blijft van Nieuwkerk.
De nieuwe leiding zet er de sokken in. Moerkerken en de zijnen willen zich specialiseren in het verpakken en maken van fast moving consumer goods. Budelpack koopt in Duitsland een fabriek van Beiersdorf. Een Belgische fabriek voor het verpakken van farmaceutische producten wordt verkocht. Die past niet meer in de strategie.
De vestiging bij Barcelona die Nieuwkerk in 2000 kocht, wordt gesloten. Kosten van die sluiting: 4,5 miljoen euro. “In Spanje kwamen afnemers hun afspraken niet na. Bovendien bleek het vrijwel onmogelijk om mensen te ontslaan. Dat was een dure affaire”, zegt Jansen Venneboer.
Eind 2007 volgt de opvallendste aankoop. Van het Britse Cosi (Creative Outsourcing Solutions International) neemt Budelpack een fabriek over in Maesteg (Wales) die onder meer producten van The Body Shop verpakt. Er werken meer dan 500 mensen. Voor Budelpack-begrippen is het een grote overname.
Een gewaagde ook. Eind 2007 bedraagt Budelpacks solvabiliteit zo’n 20 procent. Dat is laag voor een bedrijf dat het van kleine marges moet hebben en kwetsbaar is voor de luimen van grote merkartikelproducenten. Bovendien draait de fabriek in Wales slecht. Cosi heeft in januari 2007 geïnvesteerd om de omzet in drie jaar tijd te verdubbelen. Maar door het verlies van een groot contract kan die doelstelling de prullenbak in. Sterker nog, de omzet daalt snel en in het najaar dreigt sluiting.
Als Budelpack de vestiging koopt, is er vreugde in Wales. ‘Budelpack redt fabriek’, schrijven de kranten. Zelfs de BBC besteedt aandacht aan de koop. Ceo Moerkerken is enthousiast: ‘Met deze aanschaf vergroten we ons portfolio van producten en diensten, versterken we onze positie in de markt voor persoonlijke verzorging en voegen we nieuwe strategische relaties toe.’
Bijna tegelijkertijd besluit het bedrijf in Roosendaal een fabriek te openen voor de productie van wasbuiltjes en wasverzachters. Twee maanden later koopt het een vestiging van Yves Rocher in Frankrijk. De omzet van Budelpack zal in 2008 ver boven de 300 miljoen euro uitkomen, verwacht het management.
Maar het loopt totaal anders. De Maesteg-fabriek in Wales blijkt een kat in de zak. Budelpack en Greenfield stoppen er extra geld in, maar effect blijft uit. “We hadden eerder moeten ingrijpen”, zegt Jansen Venneboer. “De vestiging was voor 90 procent afhankelijk van The Body Shop. De afspraken met hen waren erg belangrijk, maar bleken niet waterdicht. Bovendien was er druk van L’Oréal, de nieuwe eigenaar van The Body Shop, om de kosten te verlagen. Ze lieten ons in de steek en daar kwam de crisis nog overheen.” Ook in Frankrijk waren er problemen, zegt Jansen Venneboer.
In het voorjaar van 2008 wordt Moerkerken gevraagd af te treden. Terwijl Budelpack op zoek gaat naar een nieuwe ceo neemt Jansen Venneboer de honneurs waar. Najaar 2008 wordt in Ivo Mönnink een topman gevonden. Hij probeert eerst geld aan te trekken, daarna probeert hij Budelpack te verkopen. Jansen Venneboer: “Hij heeft goed werk gedaan, maar het was te laat.” Eind 2008 valt het doek voor ‘Maesteg’. Budelpack volgt snel daarna.
Hoe kon het zo mis gaan? De meeste direct betrokkenen doen er het zwijgen toe. Ex-directeur Ingelse verwijst naar Ivo Mönnink, die niet meer op de kwestie wil ingaan. Mede-eigenaar Dinvest verwijst naar grootaandeelhouder Greenfield Capital, die niet reageert op herhaaldelijke telefoontjes.
Volgens curator Franken heeft de mislukte acquisitie in Wales een grote rol gespeeld bij de deconfiture van het bedrijf. Hij schat dat Budelpack daar 10 miljoen pond heeft ingestoken. De Spaanse vestiging heeft het bedrijf zelfs 20 miljoen euro gekost, schat hij. Nieuwkerk wil er weinig over kwijt: “Die deal in Wales is een geweldige vergissing geweest. Zonder die deal had Budelpack nog bestaan”, is het enige wat hij kwijt wil.
Mönnink zag het een maand geleden, toen hij Het Financieele Dagblad wel te woord stond, een slag anders. Volgens hem mankeerde er nogal wat aan het businessmodel. Het bedrijf produceerde te duur, een probleem dat naar voren kwam wanneer de contracten met merkfabrikanten afliepen. Jansen Venneboer houdt het op een combinatie: pech, fabrikanten die hun afspraken niet nakwamen, de onmogelijkheid om in Spanje en Frankrijk personeelsleden te ontslaan als de productie terugliep en het debacle in Wales. Voor een bedrijf dat het van kleine marges moet hebben, was dat te veel, zegt hij.
En de private-equitypartijen? Die lijken weinig of niets te verwijten. Nieuwkerk: “Ze hebben hun best gedaan. Greenfield was zeker geen hit-and-runpartij. Als ze licht aan het einde van de tunnel hadden gezien, hadden ze wel verder geïnvesteerd in het bedrijf.” Volgens Franken is tot nu toe niets gebleken van enorme schulden die het gevolg waren van de overname van Budelpack door Greenfield en Dinvest. Wel heeft hij opgemerkt dat de 6 miljoen euro die de verkoop van de fabriek in België heeft opgeleverd, als dividend aan de aandeelhouders is uitbetaald. Jansen Venneboer: “Greenfield en Dinvest hebben zich buitengewoon correct en positief opgesteld. Budelpack is niet in de schulden gestopt. Integendeel, Greenfield heeft niet geaarzeld te investeren toen dat nodig was. Zij zijn de grootste verliezers.”
[ Koos.Schwartz @reedbusiness.nl ]
kat in de zak
10
miljoen euro verloor Budelpack op een fabriek in Wales, volgens curator Mart Franken. De fabriek was tot 2001 eigendom van Revlon.
Auteur(s): Koos Schwartz
Bron: FEM Business , jaargang 12 , nummer 22 , datum 30-5-2009
Abonneer u op de gratis dagelijkse nieuwsbrief van fembusiness.nl
Neem een (proef)abonnement op FEM Business