Foute fondsen: Buurzame charlatans

Duurzame obligatiefondsen zijn op dit moment geliefd onder beleggers. Goede rendementen en ethisch verantwoord. Maar deugen ze wel? “De populariteit van duurzaam beleggen trekt charlatans aan.”

foute fondsen | beleggen

De belangstelling voor duurzame aandelenfondsen beperkt zich sinds de kredietcrisis niet langer tot geitenwollensokkendragers, salon-idealisten of cynische vermogensbeheerders. De verwachtingen voor duurzaam beleggen zijn zelfs rooskleurig gestemd. Volgens onderzoek van Robeco en Booz & Company zal in 2015 20 procent van het wereldwijd belegde vermogen duurzaam kapitaal zijn. Met dank aan het groeiende sociale en milieubewustzijn van beleggers, de invloed van de media, technologische innovaties, stimulerende wetgeving en een structureel stijgende behoefte aan duurzame energie.


Vooral duurzame obligatiefondsen zoals van Triodos en ASN Bank trekken extra aandacht. In tijden van beursmalaise blijken dit soort fondsen nu eenmaal vaak beter te renderen dan aandelenfondsen. Maar ook minder bekende obligatiefondsen laten zich nadrukkelijk gelden. Wie op internet zoekt naar goed presterende groene beleggingsproducten, stuit al snel op fondsen als Zon Invest, Pure Energy en CIG Biodiesel die schermen met hun duurzame karakter én rendementsverwachtingen van rond de 10 procent.

Extra gevoelig


Volgens Jaap Koelewijn, financiële marktenspecialist en hoogleraar Finance aan de Nyenrode Business Universiteit, spelen deze fondsen handig in op de duurzaamheidstrend. “In deze belabberde beurstijden kunnen beleggers extra gevoelig zijn voor fondsen met opvallend hoge rendementen. En als dat fondsen zijn die investeren in groene energie, is de reactie al snel: duurzaamheid is de toekomst, dan zal het wel goed en verantwoord zijn. Helaas deugt er vaak weinig van. Tien jaar geleden werden we voor het eerst opgeschrikt door beleggingsschandalen rond destijds populaire teakhoutfondsen, nu lijken duurzame obligatiefondsen aan de beurt te zijn.”


Ter illustratie staat Koelewijn desgevraagd stil bij het groene beleggingsfonds CIG Biodiesel, dat opzien baart met een jaarlijks gegarandeerd rendement van maar liefst 13 tot 15 procent en belangstellenden lokt met slogans als: ‘Maak nu het verschil en beleg in een schone toekomst.’

Het groene gehalte van het fonds heeft alles te maken met de voorgenomen bouw van een fabriek in het Oostenrijkse Enns dat biodiesel uit landbouwzaden moet gaan produceren. Beleggers kunnen deze fabriek helpen financieren met de aankoop van obligaties van tenminste 10.000 respectievelijk 50.000 euro. Het opgehaalde geld wordt uitgespreid over bv’s met een opnamelimiet van 2,5 miljoen euro. Met deze constructie valt CIG Biodiesel niet onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM). “Beleggers lopen hierdoor extra risico en zijn niet wettelijk beschermd tegen zwendel zoals met de beleggingsfondsen Easy Life en Royal Dubai”, legt Koelewijn uit.

CIG Biodiesel vraagt inderdaad veel geduld van de belegger. Niet alleen omdat er pas na drie jaar rendement wordt uitgekeerd, maar ook omdat de financiering van de te bouwen biodieselfabriek over verschillende schijven loopt, die allesbehalve solide zijn. Het beginkapitaal van CIG Biodiesel is voor rekening van de directie (18.000 euro) en van een Luxemburgse investeerder (1 miljoen euro), die vastgoedmagnaat Joop Punt zou vertegenwoordigen. Vervolgens moeten beleggers 6 miljoen euro aan obligaties inleggen. Omdat de biodieselfabriek duurzaam gaat produceren, komen ze in aanmerking voor 12,5 miljoen euro aan overheidssteun. Hiervan geeft de Europese Unie 5 miljoen euro aan subsidie en de Oostenrijke staat 7,5 miljoen euro. Zijn al deze subsidies rond, dan zal het Luxemburgse investeringsvehikel Hima een hypothecaire lening van 52,5 miljoen euro verstrekken. Daarmee omvat het totale project 72 miljoen euro.

Doorsluizen 


Het is de vraag of deze eindsom ooit zal worden gehaald. De plaatsing van obligaties ter waarde van 6 miljoen euro moet zeer moeizaam verlopen want het aanbod geldt nog steeds, terwijl eerdere inschrijvingstermijnen al zijn verlopen.


Maar ook zonder deze obligaties wil het op z’n zachtst gezegd niet vlotten met de financiering. De Luxemburgse investeerder die 1 miljoen euro dient in te leggen is in elk geval niet Joop Punt. Tegenover zakenblad Quote verklaarde Punt geen cent te hebben gestoken in CIG Biodiesel.

Zelfs de directie van CIG Biodiesel maakt geen kredietwaardige indruk, zo blijkt uit het vonnis van de Haarlemse rechtbank op 27 augustus 2008. Van de drie bestuurders is de besloten vennootschap CIG exit nadat het er niet in slaagde de financiering rond te krijgen. De overige twee bestuurders, Vechtzicht NV uit Curaçao en het Zaandijkse Moma Investments, boezemen ook weinig vertrouwen in. Achter deze vennootschappen zitten namelijk vader en zoon Piet en Arnold Breur. Zij weten wat het is om fors bankroet te gaan. Met hun in 2002 failliet verklaarde bedrijven Breur Bouwgroep en Aannemingsmaatschappij A. Breur & Zn. en Breur zijn tientallen miljoenen euro’s verloren gegaan. Naar welke bestemmingen al dat geld is doorgesluisd, is voor curatoren en crediteuren nog steeds een raadsel, want de faillissementsprocedure loopt nog steeds.



Rabobank


Zoon en vader Breur zijn sowieso vertrouwd met doorsluizen, zo blijkt uit een passage uit het rechterlijke vonnis over CIG Biodiesel. In plaats van het binnengekomen geld van obligatiehouders te steken in het biodieselproject, werd het geld terstond overgemaakt naar andere rekeningen. Reden genoeg voor Rabobank om in 2007 een aantal keren de bankrekening van CIG Biodiesel te blokkeren en vervolgens de samenwerking met de Breurs per direct op te zeggen.


Tegelijkertijd lijken de Breurs er alles aan gelegen zo betrouwbaar mogelijk over te komen. Als financieel planner Herman Bouter in zijn Telegraaf -column van 22 april 2008 waarschuwt voor de risico’s van beleggen in CIG Biodiesel vanwege gebrek aan toezicht van het AFM, komt CIG met een geruststellende reactie. In een schriftelijke verklaring meldt het fonds: ‘Wij hebben Loyens & Loeff-advocaten de opdracht gegeven een prospectus te schrijven die aan alle richtlijnen van de wet voldoet als zouden wij wel verplicht zijn een prospectus te schrijven.’

Navraag bij advocatenkantoor Loyens & Loeff leert dat een dergelijke opdracht nooit is gegeven. “Ons kantoor wilde alleen een prospectus schrijven met voldoende waarborgen over met name de transparantie, maar dit vond CIG Biodiesel veel te ver gaan”, meldt persvoorlichter Rik van Zutphen. “Omdat we het niet eens werden, is het contact toen direct verbroken.”

Tegenover de buitenwereld wekte CIG Biodiesel een andere indruk. Tot voor kort prijkte Loyens & Loeff als vaste adviseur op de website van het fonds. Tot grote ergernis van Van Zutphen, die CIG Biodiesel meerdere keren moest sommeren de naam van Loyens & Loeff te schrappen.

Ook de wijze waarop CIG Biodiesel de belangenbehartiging van obligatiehouders heeft geregeld, wekt weinig vertrouwen. In de stichting die hierop toeziet, zit drs. H. Bergstra. In eerdere brochures van CIG Biodiesel wordt onder meer vermeld dat hij lid is geweest van de raad van commissarissen van beleggingsmaatschappijen, de industrie en de vastgoedsector. Maar in de naslagwerken Bestuurders en Commissarissen van databank LexisNexis schittert zijn naam door afwezigheid.

Een andere mysterieuze kracht die opduikt in eerdere brochures van CIG Biodiesel is de naam van stichtingbestuurder Jos Reijnders, die werkzaam is bij het Sittardse filiaal van het instituut SenterNovem. Deze netwerkorganisatie is destijds opgezet door het ministerie van Economische Zaken (EZ) en verdeelt tientallen miljoenen euro’s aan onderzoeksgelden onder allerlei innovatieve en duurzame projecten.

De vraag of Reijnders door CIG Biodiesel is binnengehaald als duurzame subsidie-expert, blijft onbeantwoord. Reijnders weigert namelijk elk commentaar over zijn nevenfunctie. Hetzelfde geldt voor CIG Biodiesel-directeur Arnold Breur, die ook andere vragen over het beleggingsfonds onbeantwoord laat. Voor hoogleraar Koelewijn is de rol van Reijnders totaal onverantwoord. “Hij moet onmiddellijk aan zijn jasje worden getrokken door zijn bazen bij EZ.”

Kaartenhuis


CIG Biodiesel is niet het enige obligatiefonds dat sterk afhankelijk is van toekomstige overheidssteun. Zon Invest, dat voor 15 miljoen euro aan obligaties uitgeeft ter financiering van de aanleg van plantages van zonnepanelen in Spanje, moet het ook hebben van subsidies. Net als CIG Biodiesel valt Zon Invest niet onder AFM-toezicht omdat het minimum aan inleggeld 50.000 euro bedraagt. Daarnaast schermt het fonds met een fors rendement: minstens 8,4 procent per jaar.


Maar sinds afgelopen najaar is er een nieuwe Spaanse wet aangenomen, die de subsidie op zonnepanelen met een kwart vermindert. Deze reductie moet een behoorlijke domper zijn voor de hele zonne-energiemarkt en Zon Invest, want zonnepanelen zijn nu eenmaal relatief duur. Gek genoeg houdt Zon Invest geen rekening met deze sterk gewijzigde marktomstandigheden. “Dit businessmodel heeft veel weg van een kaartenhuis”, stelt Koelewijn. “Er hoeft maar iets fout te gaan en de boel dondert in elkaar.”

Mocht het project met Zon Invest voortijdig stranden, dan is het de vraag of beleggers ook maar iets van hun geld terugkrijgen. In het prospectus wordt melding gemaakt van een bankgarantie van 90.000 euro: een schijntje in verhouding tot de investering van de aanleg van de plantages, die bijna 70 miljoen euro moeten gaan kosten.

Beleggers in spe zijn dus gewaarschuwd en Sol Invest, moedermaatschappij van Zon Invest, lijkt dat te beseffen. Om de eigen integriteit te onderstrepen, profileert Sol Invest zich als een ruimhartige donateur met nobele bedoelingen. De moedermaatschappij reserveert 10 procent van de nettowinst voor goede doelen. Artsen zonder Grenzen zou op minimaal 150.000 euro kunnen rekenen. Maar deze gulle geste is verre toekomstmuziek: de plantages van Sol Invest hebben nog geen cent winst opgeleverd, laat staan een cent omzet gedraaid. In de prospectus staan plaatjes van zonovergoten vlaktes die bouwrijp worden gemaakt. Het wachten blijft op echte foto’s waarop ook maar één zonnepaneel bedrijfsklaar is.

Gegoochel met CV’s


De Nederlandse Zon Invest-directeuren Jos de le Cluse en Fred Kras lijken sowieso graag goede sier te maken, al is hun cv iets minder glansrijk dan ze in het prospectus doen voorkomen. Zo gaat financieel directeur De le Cluse er prat op de opleiding tot registeraccountant te hebben gevolgd. Klaarblijkelijk zonder goed gevolg, want in de databank van de Nederlandse Vereniging voor Registeraccountants komt zijn naam niet voor. Algemeen directeur Kras wekt de indruk als makelaar officieel te zijn erkend door vakvereniging NVM. Maar bij de NVM hebben ze nog nooit gehoord van Kras, die in Spanje ook onroerendgoedzaken doet onder de naam Vinny Costa.


Al met al genoeg stof voor vragen over Zon Invest, maar de directie van Sol Invest onthoudt zich van commentaar. Het gegoochel met cv’s van fondsbestuurders is voor advocaat Carlo Fiscalini geen onbekend verschijnsel. De raadsman van het kantoor Bartels Advocaten, gespecialiseerd in het gerechtelijk optreden tegen beleggingsfraude, is dan ook hard in zijn oordeel: “Dit riekt naar misleiding. Dat geldt ook voor CIG Biodiesel, dat Loyens & Loeff blijkbaar onterecht heeft opgevoerd als zijn adviseur.”

Dergelijke risicovolle groene fondsen zoals Zon Invest en CIG Biodiesel zijn geen uitzondering, weet Fiscalini. Zo lijkt het obligatiefonds Pure Energy, dat de laatste tijd vaak op internet adverteert, een regelrechte kloon van Zon Invest. Ook Pure Energy investeert in toekomstige zonneplantages in Spanje. Daarnaast baart het fonds opzien met een fors rendement (8,3 tot 9 procent) en valt het buiten AFM-toezicht. En evenals Zon Invest is het hele businessplan van Pure Energy gebaseerd op een achterhaalde subsidieregeling. De opvallende gelijkenissen zijn geen toeval, zo blijkt uit het handelsregister. Bijna een jaar geleden hadden Zon Invest en Pure Energy Sol dezelfde moederfirma: Sol Invest.

Hoogleraar Koelewijn kijkt er niet van op. “De listige werkwijze en gelikte presentatie van dit soort vage fondsen is verre van uniek. De populariteit van duurzaam beleggen trekt genoeg charlatans aan.” Koelewijn kan het dan ook niet vaak genoeg benadrukken: “Groen fonds of geen groen fonds, beleg in de regel nooit in een fonds dat opereert zonder AFM-vergunning. En zeker niet in nieuwe fondsen die schermen met schitterende rendementsverwachtingen, maar in gebreke blijven als het gaat om een deugdelijke prospectus en een transparante organisa-tie.”


[ libben reeskamp ]

Duurzaam beleggen zonder bijsmaak


Wie duurzaam wil beleggen zonder bijsmaak, doet er goed aan eerst de Duurzaam Geld Gids (http://www.goed-geld.nl/duurzaam-beleggen/duurzaam-geldgids/) te raadplegen. De Duurzaam Geld Gids is een initiatief van onder meer de Consumentenbond en de Vereniging van Beleggers voor Duurzame Ontwikkeling (VBDO). Nog gemakkelijker is het gebruik van de Goed Geld Wijzer (www.goed-geld.nl). Met behulp van een beperkt aantal vragen kan er worden bepaald welke elementen (bijvoorbeeld mensenrechten, arbeidsomstandigheden, klimaatverbeteringen) de belegger van belang vindt. Vervolgens komen daar een vijftal fondsen uit die het beste aan de wensen van de belegger voldoen. In het overzicht prijken 48 buitenlandse fondsen en 30 binnenlandse fondsen, waaronder die van de duurzame banken ASN en Triodos . Volgens VBDO-directeur Giuseppe van der Helm moet een fonds minstens aan drie criteria voldoen om te worden opgenomen in de lijst. “De geleverde producten of diensten moeten duurzaam zijn, maar ook de organisatie van bedrijven moet geheel gericht zijn op maatschappelijk verantwoord ondernemen. Verder moet het fonds transparant zijn.” Fondsen die deze toetsen doorstaan, komen in aanmerking voor een speciaal logo, dat is ontwikkeld door het European Sustainable Investment Forum. Van der Helm: “Aan de hand van dit duurzame kwaliteit-keurmerk kunnen beleggers in één oogopslag het kaf van het koren scheiden. En scherpe selectie is hard nodig want het begrip duurzaamheid is sterk aan inflatie onderhevig.”

  • E-mail dit Artikel
  • RSS feeds
  • Nieuwsbrief