Hollandse waar: Helpt Hollandse waar?

Het is nu ieder voor zich. We gaan onze nationale economie steunen door louter Hollandse waar te kopen. Maar kan dat nog wel, en is het verstandig?

hollandse waar | omslagartikel

De export is ingestort. Bedrijven zien hun omzet inzakken, personeel zit met werktijdverkorting thuis. Maar met onze koopkracht is toch nog niets mis? Kom op Nederland, trek de beurs en koop meer Hollandse waar! Een impulsieve ingeving, maar FEM wil weten of het zou werken en beleeft een dag als chauvinistische consument.


Die dag begint met hanengekraai. Op de wekkerradio mag dan wel trots het merk Philips staan, het ding wordt in China gemaakt en blijft voor straf uit. Philips heeft nauwelijks meer fabrieken in eigen land die consumentenproducten afleveren. Nou goed dan, we scheren ons met een topmodel Philishave, dan komen de high-tech scheerkoppen in elk geval nog uit Drachten. Het spreekt vanzelf dat ons gelaat vandaag geen Gillette of Schick verdraagt.

Met enige spijt schieten we in de kleren. Want daarvoor geldt hetzelfde als bij de elektronica: er zijn handenvol Nederlandse merken zoals G-Star en Bandolera. Afgezien van bedrijfskleding geldt in de mode steevast dat bij ons hooguit ontwerp, marketing en andere centrale functies zijn gevestigd, productie vindt plaats in Zuid-Europa en Turkije. Nou ja, heimwee naar de textielindustrie kennen we niet. Als we onze veters strikken stellen we wel met genoegen vast, dat de Van Bommels toch echt vaderlands fabrikaat zijn. Ten onrechte. Alleen de meest exclusieve modellen komen nog uit Brabant, de gewone Bommeltjes komen uit Zuid-Europa en worden hier hooguit voorzien van zool en schacht.

Dat geeft al te denken. In hoeverre steunen we onze Nederlandse economie, als we besluiten louter lokaal te gaan consumeren? De aloude slagzin ‘Koopt Nederlandsche waar, dan helpen wij elkaar’ werd geïntroduceerd tijdens een vorige crisis, een waarmee die van vandaag wordt vergeleken. In 1933 startte de Vereeniging Nederlandsch Fabrikaat de campagne Koopt Nederlandsch Product, waarmee landgenoten werden opgeroepen buitenlandse producten te mijden. Die toestroom van buitenlands fabrikaat was ze al langer een doorn in het oog. De crisis kwam eigenlijk als een welkome steun in de rug. De lobby werd zelfs met 100.000 gulden gesteund door de overheid, en ging vergezeld van filmvertoningen waarin een kaas, een glas melk en een pakje boter zelf vertelden waar ze vandaan kwamen.


Kopje koffie?


Ons ontbijt is ook vandaag nog steeds een Hollands feest. We tikken een eitje, glas Campina-melk ernaast en vooruit, we trakteren onszelf op een boterham met hagelslag. Kopje koffie? Douwe Egberts uit de filter graag, vandaag geen Italiaanse herrie. Maar dan duiken we in de kleine lettertjes op alle verpakkingen. Douwe Egberts is van Sara Lee, dus Amerikaans. Venz-hagelslag? De groeten van Heinz uit Amerika. Dat pak Brinta dan, in vredesnaam! No sir , ook Heinz. Voor vaste voeding geldt de vuistregel dat het meestal wordt geproduceerd in Nederland, maar dat de winst naar het buitenland gaat als het niet van Unilever komt. We hadden dus Blueband op ons brood moeten smeren, en daar bovenop een flinke lik Calvé-pindakaas.


Met zuivel en koude dranken is het leven eenvoudig voor de chauvinistische consument. Dankzij de gigantische zuivelcoöperatie FrieslandCampina is het oranje-blanje-bleu, ook omdat sapjes als Appelsientje en CoolBest er vandaan komen. Het is wel oppassen geblazen: Maaslander is een op en top Hollandse kaas, Leerdammer ook, maar het merk is sinds 2002 van het Franse Fromageries Bel. Later op de dag kunnen we met een gerust hart aan de Bavaria. Goddank hebben we een zuidelijke inslag, want voor Grolsch-drinkers is het leven wrang. Ze drinken een product van het Zuid-Afrikaanse SABMiller. Nou ja, aan Heineken is ook weinig Nederlands meer, sinds de nazaten van Freddy zaliger als de familie De Carvalho de boel daar controleren.

Het valt dus nog niet mee, zo’n dag Hollands consumeren. Op weg naar kantoor laten we onze trouwe Duitser even staan. De kans dat er Noordzee-olie in de tank klotst, is minimaal: volgens het internationale energieagentschap IEA wordt slechts 2,8 procent van de ruwe olie die we gebruiken lokaal naar boven gehaald. We zouden eigenlijk op aardgas moeten rijden, maar vandaag springen we op onze Gazelle. 


Bakfietsen van Azor
Jazeker, Gazelle, Batavus en Sparta zijn nog allemaal in Nederlandse handen. De karretjes worden vaak nog in Nederland in elkaar gestoken, maar de meeste onderdelen, tot de frames aan toe, komen uit Azië. Voor echt Hollands spul moeten we zijn bij Azor in Hoogeveen, maker van onder meer bakfietsen waarin Randstedelijke ouders hun kinderspul vervoeren. Azor maakt zelfs zijn eigen frames nog, deels op historische machines. 


Vergeleken met 1933 is het bijna een oneerlijk gevecht, een dag lokaal consumeren. In de jaren dertig was de wereld overzichtelijker. De overheid legde de import van bepaalde buitenlandse goederen – bijvoorbeeld schoenen, textiel, vlees en boter – botweg aan banden. Mede daardoor had de campagne ‘Koopt Nederlandsche waar’, een motto dat zelfs op marsmuziek werd gezet, redelijk succes. De lichte stijging van de binnenlandse verkoop loste de crisis echter niet op. Integendeel: ‘Koopt Nederlandsche waar’ geldt achteraf bezien als een exponent van het protectionisme dat de crisis eerder heeft verdiept en verlengd, dan dat het Nederland er bovenop heeft geholpen. Ook in de jaren dertig was het Nederlands welvaren afhankelijk van open grenzen.


Tulip Computers


Eenmaal op kantoor beland (Reed Business, de uitgeverij van dit blad, is een dochter van het Brits-Nederlandse Reed Elsevier) is de Nederlandse dag niet meer vol te houden. We loggen in op onze Dell-computer en denken terug aan Tulip Computers, onze lokale trots uit de tijd dat de pc nog personal computer heette. Hoe Franz Hetzenauer en Rob Romein halverwege de jaren negentig nog met massa’s overheidssteun een flinke fabriek in Rosmalen uit de grond stampten om vervolgens over de kop te gaan. De redding door Begemann die volgde, wens je je ergste vijand niet toe en inmiddels wordt het merk Tulip zelfs niet meer gebruikt door diens eigenaar, het huidige Nedfield. We plegen maar eens een belletje. Met een Koreaans mobieltje (de telefoon-avonturen van Philips liepen al in de tijd van Cor Boonstra stuk), maar wél via KPN. Prima lijntje, meneer Scheepbouwer.


De Nederlandse economie was in de jaren dertig van de vorige eeuw, en tegenwoordig meer dan ooit, afhankelijk van de export. In 2008 importeerde Nederland voor 332 miljard euro aan goederen en diensten, maar de export had een waarde van 367 miljard. Ruim 65 procent van ons bruto binnenlands product wordt betaald door het buitenland. Stel je daar niet te veel rokende schoorstenen bij voor, want het gaat voor een flink deel om diensten, de wederexport van goederen en natuurlijk aardgas.

Als de Nederlander buitenlandse goederen gaat mijden, krijgt de rest van de wereld daar vast en zeker lucht van. Zeker als de overheid zich ermee bemoeit, ligt een tegenreactie voor de hand. En als die de export raakt, gaat dat rechtstreeks ten koste van onze welvaart. Alleen al om die reden is protectionisme een van de grootste taboes in de internationale economische verhoudingen.

Na een dag tikken, interviewen en buitenlandse koffie drinken, schieten we op weg naar huis nog even langs wat winkels. Maar moeten we die afwaskwast nou bij Hema halen, of bij Blokker? Hema is oer- en oer-Hollands, maar wel in handen van Brits private equity. Die Britten laten de fiscus mooi delen in de verliezen. Mocht Hema ondanks zijn schuldenlast ooit weer winst maken, dan laat zich raden waar die zal neerslaan. Dan toch maar naar ome Jaap Blokker. Of nee, Hema is met zijn producten wel een bolwerk van Nederlands ontwerp, van fluitketel Le Lapin tot Jip en Janneke-bestek. Sorry, Jaap.

Daarna lopen we voorbij het (Chinese) Kruidvat en gaan we naar Ahold-dochter Etos voor wat snoep. Jammer dat we bijna alles moeten laten liggen. King-pepermunt is in Britse handen, net als Haagse Hopjes. Zelfs de Koetjesreep en Droste-chocolade zijn Belgisch. Vooruit dan, het wordt allemaal in Nederland geproduceerd. Op naar Albert Heijn of Dirk van den Broek in plaats van het Franse Super de Boer, op zoek naar een Hollandse maaltijd. Vlees is veilig, mits het niet gaat om Greenfields biefstukken of lamsvlees uit Ierland. Volgens de vleessector is maar 30 procent van de productie bestemd voor eigen land. De rest wordt geëxporteerd, merendeels naar andere EU-lidstaten. We dragen met extra vleeseterij maar een klein deel bij aan de 4 miljard euro die de vleessector omzet.


Spruitjes en rode kool


Groenten en fruit? Met spruitjes en rode kool zit je altijd goed, maar tomaten komen in deze maand nog uit Spanje. “Het glasgroenteseizoen begint voor de tomaten pas over een paar weken”, verklaart een medewerker van het Productschap Tuinbouw. “Het loopt van april tot oktober. In de winter is er te weinig licht voor dergelijke gewassen.” Zeker als je echt van de volle grond wil eten, is het opletten geblazen. Sperziebonen komen maar een korte periode uit eigen land, de rest van het jaar uit Egypte of Ethiopië. “Koolsoorten zijn vaak lokale teelt, maar winterbloemkool is over het algemeen import.” In feite moeten we als echte aardappeleters terug naar seizoensgroenten, willen we zekerstellen dat we alleen Nederlands product op tafel zetten.


Citrusfruit komt er niet in vandaag, maar tussen de appels is het ook scharrelen. Die gifgroene Granny Smiths komen nu uit Nieuw-Zeeland of Argentinië, met Elstar of Jonagold zitten we beter. Jammer dat er zo weinig vitaminen inzitten, vergeleken met kiwi of banaan. Of de tuinbouw geholpen is met een actie Koop Nederlands Product? Niet echt, zegt het productschap zelf. “Wij vertegenwoordigen ook de belangen van de handel. Als de import zou stoppen, worden daardoor heel wat bedrijven getroffen.”

Toegegeven, protectionisme is een lelijk woord. Maar stel nu dat we erin slagen stiekem buitenlandse producten te mijden. Dat Nederland lekker doorexporteert en intussen zijn eigen producenten spekt. Ook in dat uiterst academische geval worden we daar alleen maar slechter van, doceert professor Steven Brakman. “Op zich is de wil om Nederlandse leveranciers te steunen of te bevoordelen begrijpelijk”, zegt de hoogleraar internationale economie aan de Rijksuniversiteit Groningen. “We hebben duidelijk een probleem, daar willen we iets aan doen. Maar op die manier verstoor je de internationale arbeidsverdeling.”

Landen produceren in een goed werkende wereldeconomie datgene waarin ze relatief het beste zijn. Al het andere laten ze over aan het buitenland, waardoor de productie mondiaal gezien het efficiëntst plaatsvindt. “Door de producten daar te halen waar ze het efficiëntst en dus goedkoopst worden gemaakt, stijgt je koopkracht.” Als we de klok willen terugdraaien en ons storten op lokale goederen, zullen we duurder uit zijn en aan koopkracht inleveren. “Dat geldt ook voor de buitenlandse kant van het verhaal. Als we niet meer leveren aan Duitsland, is men daar gedwongen om pakweg Duitse tomaten te gaan eten. Dan gaat ook de Duitse consument erop achteruit.”

Wat er in de crisisjaren dertig is gebeurd, heeft juist de economische theorie glansrijk bewezen, zegt Brakman. “Alle landen richtten zich op de binnenlandse markt, met een mondiale koopkrachtdaling tot gevolg die pas na de oorlog weer is goedgemaakt.” Of we in Nederland zo’n dag Hollandse waar kopen lang kunnen volhouden? “Dan heb je het over zelfvoorziening. Ik denk dat we best een eind komen, maar je gaat wat manier van leven en inkomen betreft wel terug naar de achttiende eeuw.”


Sloveens fornuis


Thuis gekomen gaan we achter het Atag-fornuis aan de slag. Hollands glorie uit Ulft? Wel als het gaat om het ontwerp en de marketing. Atag is sinds 2008 in handen van het Sloveense Gorenje, dat Pelgrim en Etna bij de overname erbij kreeg. Volgens de directie veranderde daardoor niets voor de 350 werknemers in Nederland. Duimen dat hij gelijk houdt, als hij bedoelde dat Atag behouden blijft voor ons land.


Het zij zo. Wij gaan de spruitjes afhalen en kussen moeder gedag. Kijk, die Bugaboo waarin ze de kleinste binnenrijdt, is toch een formidabel Nederlands ontwerp van wereldfaam. Max Barenbrug bracht hem samen met zijn zwager op de markt en is nog steeds eigenaar van het miljoenenbedrijf. De wagen wordt echter gemaakt in Taiwan, want geen enkele kinderwagen komt nog uit Europa. Dat zegt een woordvoerster van de Nederlandse concurrent EasyWalker. “Dat is niet haalbaar. Maar het ontwerp, de productontwikkeling en marketing doen wij allemaal vanuit Nederland hoor.” EasyWalker staat in de topvijf van bestverkochte kinderwagens, en kan het af met welgeteld vijftien man lokaal personeel. Bugaboo en EasyWalker zijn in elk geval nog Nederlands, wat niet gezegd kan worden van het door Canadezen opgekochte Maxi-Cosi en Quinny.

Die fabrikanten die ooit over Nederlandsche waar schetterden, hoe staan die tegenwoordig eigenlijk tegenover zo’n steunactie? Na veel fusies is de VNF uiteindelijk opgegaan in wat tegenwoordig VNO-NCW heet. Daar is het antwoord op chauvinistisch consumeren simpel, zegt de woordvoerster. “Daar zien we he-le-maal niets in. We willen niet dat andere landen het doen, en we moeten het zelf ook uit ons hoofd laten. Denk eens aan alle bedrijven die geld verdienen met de verkoop van buitenlandse producten!”

Bij de spruitjes, piepers en karbonade is er Olvarit voor de kleine. Frans ja, we weten heus wel dat Danone kindervoedingsspecialist Numico heeft overgenomen. Maar het enige merkalternatief was van Nestlé uit Zwitserland. De huismerkpotjes van Albert Heijn worden niet eens in Nederland gemaakt, laat de winkelketen weten, dus wij zetten in op de lokaal geproduceerde Olvarit, met wat poedermelk uit Zoetermeer voor het slapengaan. Als toetje is er Ben & Jerry’s-ijs. Nee, dat is dan weer de zonnige zijde van de globalisering. Unilever kocht het ijsmerk van de hippies jaren geleden. De productie voor Nederland vindt plaats in dezelfde fabriek als waaruit Hertog IJs rolt. Heerlijk, doe maar een extra bolletje Chunky Monkey naast de New York Fudge.

“Als je in Nederland op zoek gaat naar lokaal geproduceerde producten, vind je die het meest bij voeding en drank”, zegt Erik Nanninga, als partner bij Deloitte verantwoordelijk voor alle advisering over consumentenproducten. Nanninga dient producenten en retailbedrijven van advies. “Zeker als het bulk betreft, is lokale productie efficiënter vanwege de transport- en logistieke kosten die je anders oploopt.” Bij andere consumentengoederen, zoals kleding, wit- en bruingoed, kan het design nog wel uit de buurt komen, maar de fabricage zeker niet.

In de consumentenonderzoeken die Deloitte regelmatig doet, bleek dat Nederlanders, vaker dan andere Europeanen, een voorkeur hebben voor merken van eigen bodem. Maar waar en door wie alles wordt geproduceerd, daar hebben ze geen zicht op. Nanninga: “Afgezien van het feit dat de oproep tot lokaal consumeren onverstandig zou zijn, vraag ik me af of hij veel effect zou hebben. De consument kiest uiteindelijk toch voor het meeste waar voor zijn geld.”

Zodra de kinderen slapen, ploffen de ouders op de bank voor de tv. Die bank is ook Nederlands want van het merk Moooi, maar ontwerper Marcel Wanders liet hem maken in Italië, het land dat overigens wegsmelt bij Dutch Design. Vrekken als we zijn, kijkt de familie naar een Japanse tv in plaats van een tweemaal zo duur topmodel van Philips. Daarmee was de kans nog aanzienlijk geweest, dat we in elk geval de Philips tv-fabriek in Brugge nog van wat assemblagewerk hadden voorzien.


Vakantie op Terschelling


Als oplossing voor het koffieprobleem hebben we inmiddels een pakje verse Simon Lévelt aangeschaft. Twee schepjes kristalsuiker graag, zo steunen we de bietentelers. Na een uurtje publieke omroep (als ware snobs beperkten we ons al tot de publieken uit eigen land, België en Groot-Brittannië) bladeren we nog wat in Het (Belgische) Parool . Staatssecretaris Frank Heemskerk (Economische Zaken) roept op tot vakantie in eigen land. De Nederlandse toerismebranche dreigt miljoenen mis te lopen door de crisis. Als van de 9 miljoen Nederlanders die jaarlijks in het buitenland vakantie vieren, eenderde in eigen land blijft, scheelt dat miljarden. “Onze supermarkten profiteren ook als iedereen in Nederland barbecuet”, schetst de PvdA-bewindsman. Zelf gaat hij in mei een weekje naar Terschelling met het gezin.


Ah, de Nederlandse overheid schakelt over op protectionistische maatregelen? Nee, zegt Heemskerk, zijn oproep heeft niets met protectionisme te maken, maar alles met patriottisme. Het is niet duidelijk of het stempel patriot veel mensen naar de Waddeneilanden zal drijven, maar het lijkt een kwestie van semantiek. Oproepen tot lokale consumptie is niet verstandig. Heemskerk is wel econoom, maar heeft duidelijk niet in Groningen gestudeerd. “Tja, het is maar hoe je het noemt”, reageert de Groningse econoom Brakman. “De term economisch nationalisme vind ik zelf wel mooi gevonden.”

Zonder naar schadelijk protectionisme te grijpen, kan de overheid best de lokale economie steunen. Het naar voren halen van al goedgekeurde grote infrastructurele projecten zal overwegend Nederlandse aannemers goed uitkomen. Maar als de overheid bij de inkoop let op de herkomst van goederen, gaat het al fout. Het risico dat men duurder uit is, wordt dan rechtstreeks afgewenteld op de belastingbetaler. De overname van ING heeft ook een gevaarlijk nationalistisch kantje. “De bank wordt gesteund, met als stille opdracht vooral Nederlandse bedrijven kredieten te verstrekken. Waarom zouden ze dat doen als Duitse bedrijven kredietwaardiger zijn? Het is gewoon protectionisme in een ander jasje. Heemskerk zou laaiend zijn als Angela Merkel zou roepen dat iedereen maar in Duitsland moet blijven.”

We zetten de thermostaat in de nachtstand, zodat het binnenkort Noorse Nuon aan ons geen klant meer heeft, voordat we de Aupings opzoeken. Nietsvermoedend aangeschaft tijdens de hoogconjunctuur, maar nu blijkt dat de bedden van de Deventer-smid Johannes Auping nog steeds lokaal worden gemaakt. Oef! Wordt de dag van de queeste naar Nederlandsch product toch nog in stijl afgesloten. Blij dat we morgen onze gang weer kunnen gaan. Best trek in een kopje bloedsterke espresso van dottore Illy.


[ philip.bueters @reedbusiness.nl ]

Colt of merc?

Duitsland heeft een probleem: de werkgelegenheid leunt er zwaar op de auto. Met een slooppremie van 2.500 euro steunt de overheid er de autobranche. Wie een oude auto inlevert, stapt in de regel over op een betaalbare nieuwe wagen. Vooral Koreanen en Franse auto’s profiteren, en natuurlijk kleintjes van inheemse merken als de Volkswagen Polo en Opel Corsa. Maar ook die worden veelal buiten Duitsland gemaakt, zodat die premie vooral Spanje en Portugal blij maakt. Er is nu eenmaal geen industrie zo footloose als de automotive. Dat maakt chauvinistisch kopen voor de Nederlandse consument lastig, als hij het geweld van Spyker of Donkervoort schuwt. Een oneindige subsidiestroom heeft Daf, later Volvo en tegenwoordig Nedcar voor ons land behouden.Nedcar, inmiddels in handen van het Japanse Mitsubishi, maakt jaarlijks enkele tienduizenden Colts. Het schroeft die in elkaar uit onderdelen die deels in de omgeving worden geproduceerd. Door buitenlandse toeleveranciers die voor dat doel een vestiging openden. Een Colt is dus geen Dafje. Nou is de Nederlandse automotive springlevend, met in 2006 nog een omzet van 12 miljard en 38.000 voltijdbanen. Een Mercedes kan goed zijn uitgerust met een schuifdak vanInalfauit Venlo, verlichting vanPhilipsen kunststof carrosseriedelen vanPolynorm. Misschien is de wagen uitgedrukt in toegevoegde waarde wel net zo Hollands als een Mitsubishi. Chauvinisten in een Duitser of Jap, wie had dat kunnen denken.

Buiten beeld

Stadskanaal is een bedrijfswoestijn sinds Philips zijn televisieactiviteiten sloot. Daarmee is het niet de enige plek waar de schoorstenen stopten met roken. Consumentenelektronica valt niet meer te produceren in een land als het onze. Stofzuigers en koffiezetters komen uit Polen, alleen in Drachten komen nog scheerapparaten uit een Philipsfabriek. Op zoek naar elektrische apparatuur kan de consument uitwijken naar Princess, maar ook dat beperkt zich in eigen land tot productontwikkeling en marketing.Holland Electro, dat was nog eens een naam! De Rotterdamse stofzuigerfabrikant ging begin jaren negentig over de kop. Het merk kwam uiteindelijk in handen van Chinezen. Die probeerden er een paar jaar magnetrons en broodbakmachines mee te verkopen, maar in 2007 ging ook dit nep-Hollands initiatief bankroet. Is er dan helemaal geen Hollandse elektronica meer te vinden? Jawel, in Haarlem bouwt Gerbrand van Veen al 30 jaar zijn vermaardePied Piper-speakers. Een genadeloos goede box, bij Wibi Soerjadi, Emmy Verhey en Universal Music in gebruik als referentiemateriaal. “Toen ik in 1980 begon, waren er nog twintig andere luidsprekerbouwers in Nederland actief, nu kan ik er geen meer noemen”, zegt Van Veen. Zijn product is stevig geprijsd, maar audiofielen schrikken niet van de 2.500 euro die de fraaie RVS-uitvoering mag kosten. Bij Pied Piper staan maar twee man op de loonlijst, bij toeleveranciers zorgt de boxfabrikant ook voor werkgelegenheid. Een voormalige afdeling van Delft Instruments levert elektronica, een voormalige meubelfabrikant bouwt de kasten. “Ik moet wel eerlijk bekennen: ik monteer ook onderdelen uit China.”

helpen we elkaar?

Onze export is goed voor van het bruto binnenlands product 65% van het bruto binnenlands product

boeh!

Van de Nederlandse vleesproductie is slechts voor binnenlandse consumptie 30% voor binnenlandse consumptie

  • E-mail dit Artikel
  • RSS feeds
  • Nieuwsbrief