EU-obligaties: De zwakte van de euro

Brokkenpiloten als Italië en Griekenland hadden nooit aan de euro mogen meedoen. Nu de crisis Europa hard treft, krijgt de eurozone de rekening voor dat besluit gepresenteerd.

eu-obligaties | economie

Moet Europa binnenkort in plaats van banken complete landen van de ondergang gaan redden? Het is geen opwekkende vraag die Kenneth Rogoff, hoogleraar monetaire economie aan Harvard en oud-hoofdeconoom van het IMF, onlangs tijdens een congres op IJsland opwierp. Maar de verslechterende financiële toestand in een aantal Zuid-Europese landen maakt het steeds moeilijker aan dit soort vragen te ontkomen.


Rogoffs vraag leeft ook onder beleggers. Dat blijkt uit het renteverschil op tienjarige staatsleningen tussen Duitsland en Italië, Spanje en Griekenland. Vergeleken met een jaar geleden is dat verschil fors gestegen. De Italianen betaalden in maart vorig jaar 0,47 procent meer rente dan de Duitsers. Deze maand liep dat verschil op tot 1,57 procent. Spanje zag het verschil groeien van 0,19 tot 1,18 procent en bij de Grieken nam het verschil in die korte tijdspanne toe met meer dan 3 procent. Beleggers houden er rekening mee dat deze landen te veel schulden hebben opgebouwd waardoor afbetalen op een kwade dag een probleem kan worden. Wie geld uitleent aan deze landen, krijgt een hogere risicopremie.

Zulke grote renteverschillen waren voor het laatst te zien voor de invoering van de euro in 1999. De oplopende verschillen vormen een bedreiging voor het voortbestaan van de euro. Om zo’n scenario te voorkomen, hebben de Europese leiders in 1992 strenge afspraken gemaakt. Zo mag het begrotingstekort volgens het Stabiliteits- en Groeipact niet boven de 3 procent van het bruto binnenlands product (bbp) uitkomen. Als het tekort niet uit de hand loopt, zo is de redenering, stijgt ook de staatsschuld niet hard. De kans dat beleggers aan het ene euroland een hogere rente vragen dan aan het andere, is dan klein.

Bovendien zijn de landen overeengekomen dat zwakke broeders, die door hoge begrotingstekorten in de problemen komen, niet geholpen zouden worden. Vooral Duitsland en Nederland drongen aan op deze no bail out -clausule. Maar nu de crisis de eurozone hard treft, klinken er steeds meer geluiden om deze afspraak te negeren en Italië, Griekenland, Spanje en ook Portugal en Ierland te hulp te schieten. De Italiaanse ex-premier Romano Prodi, van 1999 tot 2004 voorzitter van de Europese Commissie, riep op tot de uitgifte van EU-obligaties, gegarandeerd door alle lidstaten.


Doos van pandora


Diens opvolger in Rome, Silvio Berlusconi, steunt die oproep. ‘Het is in ons aller belang dat geen enkel euroland failliet gaat’, zei hij onlangs in het Duitse boulevardblad Bild . Op 16 februari kreeg de Italiaanse lobby steun uit onverwachte hoek. Peer Steinbrück, de Duitse minister van financiën, zei dat Duitsland europartners te hulp zal moeten schieten als ze in de problemen komen. Bondskanselier Angela Merkel sloot zich daar vervolgens bij aan.


Dat Duitsland het hulpverbod wil opheffen, heeft niets met altruïsme te maken maar alles met eigen belang. De groei van de Duitse economie is gebouwd op export: 42 procent van de Duitse uitvoer gaat naar de eurozone. Rampspoed in Rome, Madrid of Lissabon betekent banenverlies in München, Hamburg en Keulen.

Dat betekent niet dat de EU-obligaties er ook zullen komen. Er is wel degelijk verzet tegen het voornemen. ‘Het zou de doos van Pandora openen. We begeven ons dan op een gevaarlijke weg’, waarschuwde Karl-Otto Pohl, oud-president van de Bundesbank. Jürgen Stark, bestuurslid van de Europese Centrale Bank, vindt het hulpverbod ’een belangrijke pilaar waarop de muntunie is gebouwd’. Otmar Issing, zijn voorganger bij de ECB, noemt het redden van een losbandige lidstaat ‘catastrofaal’.

EU-obligaties kunnen de solidariteit in de eurozone zwaar op de proef stellen. Door deze obligaties wordt de rekening voor het falende beleid van Zuid-Europese eurolanden neergelegd bij de noordelijke lidstaten die hun staatsfinanciën, vaak door middel van zware inspanningen, wél op orde hebben. Nederland is een van die landen. Thomas Meyer, hoofdeconoom van Deutsche Bank, noemt Italië en Griekenland als voorbeelden van landen die ‘alles wat ze fout konden doen sinds de invoering van de euro, ook fout hebben gedaan’.


Euroscepsis


Het voordeel voor de regeringen in Athene, Rome en Madrid is duidelijk: dankzij EU-obligaties zouden zij onmiddellijk minder rente hoeven te betalen. De rest gaat meer betalen, want beleggers smeren het risico op leningen aan het zuiden gewoon over de hele eurozone uit. Nietsvermoedende Nederlanders zullen dat meteen merken in hun portemonnee omdat de hypotheekrente afhankelijk is van de rente op staatsobligaties. Jan met de pet draait zo op voor het gebrek aan begrotingsdiscipline in Athene, Rome en Madrid. Dat zal de euroscepsis in de gedisciplineerde eurolanden verder doen toenemen. Erger, het kan het vertrouwen in de euro een dreun geven waar de nog jonge gezamenlijke munt misschien niet tegen is opgewassen.


De eurozone wordt door deze crisis op indringende wijze geconfronteerd met de gevolgen van de zeer soepele manier waarop in het verleden is omgegaan met de criteria om de euro te mogen invoeren. De harde afspraak was dat een land met een staatsschuld van meer dan 60 procent van het bbp, niet mag meedoen. Italië en Griekenland zaten beide opgescheept met een schuld van ruim 100 procent van het bbp. Zij mochten toch meedoen, ondanks zware tegenstand van De Nederlandsche Bank en de Bundesbank. De toelating van Italië en Griekenland tot de eurozone was een politiek besluit, geen economisch besluit. Dat wreekt zich nu. 



[ edin.mujagic @Reedbusiness.nl ]

Gevarenzone voor de eurozone

Hoe groter de verschillen en hoe langer ze aanhouden, hoe meer de verschillende economieën binnen de eurozone van elkaar zullen komen te staan in termen van groei. Dat zal zorgen voor spanningen in het gezamenlijke eurohuis. In de eurozone bepaalt de ECB de hoogte van de rente. Met grote en toenemende economische verschillen tussen de lidstaten, zal de ECB-rente voor bijna alle landen ‘fout’ zijn. Zuid-Europa zal moord en brand schreeuwen omdat de rente te hoog is, terwijl landen als Nederland zich zorgen zullen maken omdat de rente te laag is, waardoor de euro zwakker wordt en de inflatie stijgt. Dergelijke spanningen kunnen de euro destabiliseren . Volgens sommige economen kan het zelfs de levensvatbaarheid van de euro in gevaar brengen. Econoom Kenneth Rogoff voorspelt dat sommige landen die nu de euro hebben, over tien jaar uit de muntunie zijn gestapt. Hij tipt Griekenland en Italië als kandidaten.

  • E-mail dit Artikel
  • RSS feeds
  • Nieuwsbrief