Pensioenpaniek: Hoezo herstel?

Pensioenfondsen sleutelen aan herstelplannen die ervoor moeten zorgen dat de reserves weer op peil komen. Een schijnvertoning: deze recessie vreet ons pensioen weg.

pensioenpaniek | actueel

Actuarissen draaien al maanden overuren als ze werken voor pensioenfondsen. Honderden fondsen staan zwaar onder water. Verliezen op de aandelenmarkten en een historisch lage rente vraten aan hun kapitaalkracht. Ze hebben een vermogen dat nog niet voldoende is om 105 procent van de uitstaande pensioenverplichtingen te dekken. Wie onder die dekkingsgraad is beland, zal voor 1 april een herstelplan moeten indienen bij De Nederlandsche Bank (DNB). Daarmee moeten de fondsbestuurders aangeven hoe ze binnen drie jaar weer boven die dekkingsgraad van 105 procent zullen uitkomen. 


De gemiddelde dekkingsgraad van de Nederlandse fondsen schommelt rond de 95 procent, maar er zijn ook pensioenbeleggers die onder de 90 procent zijn gezakt of zelfs onder de 80 procent. Om die ernstige gevallen tegemoet te komen, heeft minister Piet Hein Donner (Sociale Zaken) vorige week een termijn voor herstel aangekondigd van vijf jaar. Dat lijkt ruimhartig, maar is het niet. Wie kiest voor die langere termijn, maar ook binnen vijf jaar geen uitzicht heeft op herstel tot de minimaal vereiste dekkingsgraad, zal al in juli 2010 moeten korten op de pensioenrechten. 


Afstempelen


Het hoge woord is eruit. Wie de pech heeft – gedwongen – bij een pensioenfonds te zijn aangesloten dat waardeloos heeft belegd of renterisico’s niet heeft afgedekt, ziet zijn opgebouwde rechten straks genadeloos gekort. Afstempelen heet die gevreesde truc. Het moet immers uit de lengte of de breedte komen: zijn de beleggingsresultaten en premies onvoldoende om de kas weer op peil te krijgen, dan is er minder te verdelen en mag iedereen inleveren. 


Dat zal nog een hoop heibel geven bij de getroffen werknemers en pensionado’s. Hardwerkend Nederland leeft immers nog steeds in de waan dat het door het maandelijks storten van premies een gegarandeerd pensioen opbouwt. Deze recessie zal daaraan een eind maken. Het ‘herstel’ uit de plannen waar de pensioendeskundigen nu aan sleutelen, moet namelijk met een flink pak zout worden genomen.

Grootste pensioenpijn


Het herstelplan is weinig meer dan een invuloefening, waarbij DNB de economische realiteit voorschrijft. De fondsen moeten uitgaan van een jaarlijkse loonstijging van minimaal 3 procent, die gepaard gaat met een inflatie van ten minste 2 procent. Dat lijkt in deze tijd op zijn zachtst gezegd aan de hoge kant. Pensioenfondsen moeten bovendien de zogenoemde swaprente gebruiken om de waarde van hun toekomstige verplichtingen naar vandaag terug te rekenen, ofwel contant te maken. Daarin schuilt de grootste veroorzaker van pensioenpijn: deze rekenrente is op een historisch laag niveau beland, onder de 3,6 procent, wat fondsen die dit risico niet hebben afgedekt nog eens 20 tot 30 procentpunten extra aan dekkingsgraad heeft gekost.


Tegenover deze strenge randvoorwaarden staat dat de fondsen fraaie toekomstige rendementen mogen intekenen voor hun portefeuille. Een jaarlijks rendement van 4,5 procent op vastrentende waarden, maar liefst 7,5 procent rendement op westerse aandelen en een duizelingwekkende 8,5 procent op beleggingen op exotische beurzen. Wat lijkt 2006, het jaar waarin deze ‘parameters pensioenfondsen’ wettelijk werden vastgespijkerd, lang geleden.

“Dit zijn maximale waarden,” relativeert een woordvoerder van DNB, “wij raden aan niet op dat maximum te gaan zitten. We denken dat Nederland belang heeft bij een realistische afweging en die bevindt zich ergens in het midden.” Pensioenconsultant Arnold Jager van HR-adviseur Hewitt Associates weet echter wel beter. “In de praktijk hanteert iedereen die maxima als standaard. Vervolgens is het herstelplan een technische exercitie: wat gebeurt er als ik links of rechts aan de knoppen draai?” Een procentje premie erbij waar de deelnemers dat nog slikken, het opheffen van de indexatie als dat nog niet is gebeurd, naar de werkgever stappen voor een hogere bijdrage; met wat ingrepen is in de meeste gevallen wel een herstelplan in te dienen waar over drie of vijf jaar het getalletje 105 procent uitrolt.

En daarmee zijn de plannen het papier waarop ze geschreven zijn nauwelijks waard. Want wie kan op dit moment aangeven hoe de economie, de financiële markten, de inflatie of de lonen zich zullen ontwikkelen? Geloven we het Centraal Planbureau nog, dat voor 2010 uitgaat van herstel? “De fondsen beleggen voor de langere termijn,“ zegt Jager van Hewitt, “op zo’n korte termijn van drie of vijf jaar zullen ze die voorgeschreven rendementen niet halen. De hoop op herstel is nu wel erg op de beurs gevestigd vanuit de gedachte: het zal wel weer goed gaan over vijf jaar. Maar we zitten nu in een recessie waarvan we dachten dat de kans 1 procent was dat die zich zou kunnen voordoen.”

Geen garanties


Als deze recessie doordendert, zal de vraag rijzen of ons pensioenstelsel wel bestand is tegen alle economische ellende. Dat ligt er maar aan wat je verstaat onder die bestendigheid. Absolute garanties zijn er niet. “Collectiviteit en solidariteit, de twee pijlers van ons systeem, tonen juist in deze tijd hun meerwaarde”, zegt econoom Lans Bovenberg, hoogleraar in Tilburg en directeur van Netspar, een instituut dat onderzoek doet naar pensioenen en vergrijzing. “Je kunt niet verlangen dat de pensioenfondsen onder alle omstandigheden de pensioenuitkeringen op een vastgesteld niveau kunnen houden. De pensioenfondsen delen in de risico’s van de economie als geheel. Het enige wat ze daardoor kunnen garanderen is solidariteit, namelijk dat de koopkracht van de deelnemers niet te ver uit de pas loopt met de rest van de economie.”


Moet heel Nederland droog brood eten, dan zullen ook de pensionado’s moeten beknibbelen op hun campers en wereldcruises. Alle aandacht voor de nominale dekkingsgraad van de pensioenfondsen is overdreven, stelt Bovenberg. “Er moet meer aandacht komen voor de koopkracht van pensioenen. Over een jaar of vijf zitten we misschien met een hoge inflatie. Als die toeslaat, gaan de beurzen en de nominale rente weer omhoog en zijn de pensioenfondsen weer snel uit de brand met hun dekkingsgraad.

Maar dat wil niet zeggen dat de deelnemers beter af zijn, want inflatie holt hun pensioen uit. Andersom geldt dat de dekkingsgraad nu extra laag is, maar door de lage inflatie is het uitblijven van indexatie geen ramp. We moeten af van het taboe op afstempelen in een wereld waarin prijzen dalen. Fondsen moeten zich concentreren op het garanderen van solidariteit in plaats van nominale schijnzekerheid.”

Niets is zeker, maar dat hadden we al kunnen weten. Na de vorige pensioencrisis, die woedde van 2001 tot 2004, gingen veel pensioenfondsen over naar het middelloonstelsel om de boel betaalbaar te houden. Daardoor hebben vooral jonge deelnemers al ingeleverd terwijl hun premies werden opgeschroefd. Het middelloonstelsel gaf de fondsen bovendien extra mogelijkheden om aan hun verplichtingen te morrelen: ze kunnen indexatie tijdelijk achterwege laten. Voor deelnemers aan het nieuwe stelsel komt dat extra hard aan: zonder indexatie komt een pensioen bij een gemiddelde inflatie niet verder dan 50 procent van het gemiddeld verdiende loon. In 2004 is de indexatie bij veel fondsen achterwege gebleven, dit jaar gebeurt hetzelfde. Ons pensioen is dus al aan het zakken, ook zonder het bevreesde afstempelen.


Met de billen bloot


Desondanks is Donner en DNB er veel aan gelegen het verder korten van pensioenrechten te voorkomen, als dat nog niet nodig is. Vandaar die langere hersteltermijn van vijf jaar. Daaraan is dan wel de voorwaarde verbonden dat de getroffen fondsen al direct duidelijk maken welke maatregelen ze zullen nemen als de werkelijkheid minder rooskleurig blijkt dan in het herstelplan. Dergelijke scenario’s drukken de buitenwereld in elk geval met de neus op de feiten. “Het dwingt de fondsen met de billen bloot te gaan”, zegt Bovenberg. “Ze moeten de deelnemers uitleggen dat het niet meer gaat om keiharde garanties, maar om een eerlijke verdeling van de welvaart. Duurt de recessie twee of drie jaar? Het is veel interessanter om te zeggen: we weten het niet, en daarop helder beleid formuleren. Garanties kun je alleen geven als dat ten koste gaat van anderen.”


[ philip.bueters @reedbusiness.nl ]

  • E-mail dit Artikel
  • RSS feeds
  • Nieuwsbrief