Het pensioenfonds van Océ kampt met onderdekking. Daardoor loopt het kans bij te moeten storten. Pijnlijk, in een jaar waarin voor de printerfabrikant alles om cash draait.
océ | financieel
N iets is zeker, dat hoor je tegenwoordig vaak bij de presentatie van jaarcijfers. Bij printerfabrikant Océ zijn een paar dingen wél zeker. Bijvoorbeeld dat het, eerder dan veel andere AEX-fondsen, flink is geraakt door de malaise in de financiële sector en de bouw, die de printers kopen waarmee rekeningafschriften of technische tekeningenworden gedrukt. In het afgelopen boekjaar 2008 zakte de omzet al met 6,1 procent tot 2,9 miljard euro, het bedrijfsresultaat nam met bijna eenderde af tot 82,3 miljoen. Als niet 70 procent van de Océ-omzet zou komen uit langlopende contracten voor service, onderhoud, inkt en papier, dan zou 2009 een hels jaar worden.
Nu kan topman Rokus van Iperen zich concentreren op het sluiten van nieuwe commerciële partnerschappen om het relatief kleine formaat van het bedrijf op de wereldmarkt te compenseren. Vanzelfsprekend zijn hij en de nieuwe financiële man bij Océ, Hans Kerkhoven, ook druk met kostenmaatregelen die het concern uit de rode cijfers moeten houden. In 2008 leverde het programma Operational Excellence al een besparing op van 80 miljoen, mede dankzij het schrappen van 620 banen. Dit jaar moet nog eens 80 miljoen worden gevonden, wat weer 300 banen extra kost.
Zo hoopt Océ zijn winst- en verliesrekening stormbestendig te krijgen. Maar de balans verdient ook aandacht. Jarenlang was die schoon. Zó schoon zelfs, dat beleggers mopperden over de lage leverage en de printerfabrikant alleen al vanwege zijn cashpositie als aantrekkelijke overnamekandidaat gold. De aankoop van de Amerikaanse distributeur Imagistics voor 685 miljoen dollar maakte daaraan eind 2005 een daverend eind. Met de kostbaarste overname uit de geschiedenis van Océ zorgde het voor een nettoschuld van 753 miljoen op een balanstotaal van destijds 2,8 miljard.
Op zich vormt dat geen probleem: Océ heeft nog voor honderden miljoenen extra kredietfaciliteiten. De bulk van de afbetalingen moet bovendien pas in 2011 plaatsvinden. Maar banken stellen voorwaarden bij hun kredieten, en door de zwakke prestaties van Océ komen de grenzen van de leningconvenanten snel dichterbij. De geldschieters eisen dat de verhouding tussen nettoschuld en ebitda (bedrijfsresultaat voor afschrijvingen op activa en goodwill) de 3 niet overschrijdt. In een jaar tijd nam dat verhoudingsgetal al toe van 1,4 tot 2,5, mede door de magere resultaten. Zonder kostenmaatregelen zou Océ de grenzen van de leningconvenanten in 2009 zomaar kunnen overschrijden.
Wat er dan gebeurt? Kerkhoven zelf weet het niet, vertelde hij analisten vorige maand in een toelichting op de jaarcijfers van Océ. “In theorie is alles mogelijk: de banken kunnen hun geld opeisen of een boete opleggen. Maar daarover is niets vastgelegd.” Om die discussie voor te zijn, is Kerkhoven erop uit zijn schuldpositie te verbeteren. Dit jaar denkt hij daarvoor 100 miljoen cash vrij te kunnen maken, door het terugdringen van werkkapitaal, voorraden en openstaande vorderingen en de verkoop van de leasecontracten. Ook aan vastgoed valt er nog wat te verkopen. In totaal heeft Océ nog voor 354 miljoen aan gebouwen en machines in de boeken staan, nadat in 2007 al de Nederlandse kantoren zijn verkocht. Volgens Kerkhoven had het vastgoed alleen eind 2007 een waarde van 155 miljoen, maar hoeveel hij denkt te kunnen ophalen met vastgoeddeals wil hij niet kwijt.
Als hij erin slaagt 100 miljoen extra cash te genereren, kan Kerkhoven uit de gevarenzone blijven wat zijn kredietconvenanten betreft. Maar dan moet Océ zijn pensioenpijn wel soepel kunnen verwerken. Sinds de invoering van de IFRS-boekhoudregels staan de pensioenverplichtingen op de balans. Zoals de meeste pensioenfondsen kampt dat in Venlo met een stevige onderdekking. Gerekend volgens IFRS-normen is de waarde van de beleggingen toereikend om 89 procent van de verplichtingen te dekken. De analisten van SNS Securities kwamen uit op eenzelfde dekkingsgraad, en berekenden dat Océ de komende 3 jaar in totaal 86 miljoen zou moeten overmaken om het gat te dichten.
Of de strop echt zo groot wordt, valt te betwijfelen. In december nam het pensioenfonds al maatregelen: de indexering van de pensioenen is geschrapt, de premies voor werknemers en werkgever omhooggeschroefd. Voor Océ, dat tweederde van de premies voor zijn rekening neemt, betekent het dat de pensioenuitgaven in 2009 met 10 miljoen stijgen tot 36,8 miljoen euro.
Spannender wordt de manier waarop het pensioenfonds de onderdekking definitief zal bestrijden. Het fonds moet voor 1 april zijn zogenoemde herstelplan indienen. Als Océ dit jaar al een extra storting voor zijn kiezen zou krijgen, lijkt de balansactie van Kerkhoven voor niets geweest. Volgens Océ zal zijn winst- en verliesrekening niet worden geraakt door de pensioenstrop. Het heeft al een voorziening van 389 miljoen voor toekomstige pensioenverplichtingen op de balans staan, die toereikend moet zijn om de onderdekking op de lange termijn te compenseren.
Een deel van deze voorziening kan verdampen. Op de ebitda heeft dat geen effect. Maar er gaat op hetzelfde moment wel cash over van Océ naar zijn pensioenfonds. Hoeveel? Zo komen we weer uit bij het begin: niets is in deze tijden zeker. Kerkhoven: “We weten nog niet precies hoe het herstelplan eruit zal zien, dus in onze huidige plannen houden we geen rekening met verdere bijdragen.”
[ philip.bueters @reedbusiness.nl ]
Schuld en boete?
pensioenpremie océ 20 %
(vanaf 1 januari)dekkingsgraad 89 %
(schatting)reserve onderdekking
389 mln (euro)Auteur(s): Philip Bueters
Bron: FEM Business , jaargang 12 , nummer 7 , datum 14-2-2009
Abonneer u op de gratis dagelijkse nieuwsbrief van fembusiness.nl
Neem een (proef)abonnement op FEM Business