Pensioenen: Felle kritiek op het ABP

. De pensioenpremieverlaging van het ABP lokt veel reacties uit, zelfs van toezichthouder Dirk Witteveen. Hij maakt zich zorgen over het premiebeleid van het ambtenarenpensioenfonds, dat te veel rekent op fraaie beleggingsresultaten.

Het is waarschijnlijk zelden gebeurd dat Dirk Witteveen zich expliciet uitlaat over het premiebeleid van een pensioenfonds. De directeur van De Nederlandsche Bank (DNB), die het toezicht op Nederlandse pensioenfondsen in de portefeuille heeft, opereert meestal achter de schermen. Niet dat Witteveen nimmer openbare uitspraken doet – hij heeft wel vaker met de pers gepraat over de pensioencrisis die ons land de afgelopen jaren heeft getroffen. Maar totnogtoe richtte hij zijn pijlen altijd op pensioenfondsen in het algemeen. Commentaar op het beleid van een individueel fonds liet hij achterwege. Laat staan en plein public.

Tot afgelopen maandag, toen FEM Business Witteveen vroeg naar zijn mening over een opmerkelijke stap die het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) vorige week heeft gezet. Witteveen vindt dat het ABP een wel erg rozige kijk op de toekomst heeft. Nederlands grootste pensioenfonds maakte bekend dat het de premie voor 2006 gaat verlagen. De meer dan een miljoen ambtenaren die verplicht bij het ABP zijn aangesloten, hoeven volgend jaar geen 17,8 procent maar 15,6 procent van hun salaris af te dragen. Dat lijkt op het eerste gezicht goed nieuws. Het betekent bijvoorbeeld dat de pensioenlast voor de ambtenaren volgend jaar met 12,4 procent daalt met alle gunstige gevolgen voor de koopkracht van dien. Het betekent ook dat minister Zalm zo’n 400 miljoen euro minder aan overheidsuitgaven hoeft in te boeken in de begroting die de sfeer bepaalt in de aanloop naar de verkiezingen. Dit jaar werd de staat nog geconfronteerd met een stijging van de pensioenlasten met 11 procent. Politiek Den Haag lijkt de verrassende stap dan ook als prettige kennisgeving aan te nemen. Ook onder werkgevers en werknemers, die met eigen afgevaardigden de dienst uitmaken in het ABP-bestuur, is geen onvertogen woord te horen.

Onverantwoord

Toch zijn er wel degelijk vraagtekens te zetten bij de premieverlaging. Want heeft het ABP net als veel andere pensioenfondsen de afgelopen jaren de premies juist niet moeten verhogen om de dekkingsgraad op peil te krijgen? Die is nog steeds niet op het niveau dat nodig is om de pensioenen volledig te kunnen indexeren, ofwel te kunnen beschermen tegen erosie door inflatie. En zijn de aannames die het ABP hanteert over het rendement dat het fonds verwacht op zijn beleggingen niet erg optimistisch? Is de premieverlaging dus niet voorbarig?

In vakkringen barstte kritiek met deze strekking meteen los. Laurens Roodbol, de hoogste actuaris van Delta Lloyd en bestuurslid van het Actuarieel Genootschap, kon zijn ogen niet geloven toen hij het nieuws over de premieverlaging hoorde. “Ik was verbolgen over het bericht”, zegt Roodbol, doelend op de in zijn ogen niet erg prudente veronderstellingen over het toekomstige beleggingsrendement van het ABP. “Ik dacht: als dit waar is...” Roodbol, die voor een lange lijst pensioenfondsen actief was in zijn vorige baan als partner bij Ernst & Young Actuarissen, vindt dat het ABP “een wissel” trekt op de toekomst. In een ingezonden stuk in NRC Handelsblad dit weekend bekritiseren hoogleraren Roel Beetsma en Bernhard van Praag de timing van de verlaging, die plaatsvindt terwijl er nog steeds geen volledige indexering kan plaatsvinden. ‘Het ABP handelt onverantwoordelijk’, schrijven ze. ‘Het spreekt vanzelf dat deze onverantwoordelijke beslissing moet worden teruggedraaid.’

En nu doet Witteveen dan een duit in het zakje. Over de hoogte van de premie laat de 56-jarige DNB-directeur zich niet uit. “Daarop concentreren wij ons niet als toezichthouder.” Maar Witteveen meent dat het ABP bij het vaststellen van de premie uitgaat van een “optimistische rendementsveronderstelling”. Hij vraagt zich af of het ABP zich wel goed realiseert wat de consequenties van de premieverlaging kunnen zijn. “Wij kijken als toezichthouder naar mogelijke tegenvallers. De vraag die we het ABP zullen stellen is of men die voldoende in beeld heeft.” Het pensioenfonds heeft de indexatie nog steeds niet hersteld. Witteveen: “En ik maak me zorgen of die indexatie in de toekomst zo wel hersteld kan worden. Misschien moet de premie wel weer omhoog.”

Het is op zijn minst opvallend dat Witteveen dit zegt. Want gedragsregel nummer één voor toezichthouders is: iets in het openbaar zeggen over een individueel pensioenfonds is not done.

Is de premieverlaging inderdaad voorbarig en risicovol? En waarom heeft het ABP-bestuur (dat bestaat uit een werkgeversvertegenwoordiging onder leiding van Jan Riezenkamp, voormalig directeur-generaal van het ministerie van OC&W en een werknemersdelegatie met Edith Snoey aan het hoofd, de voorzitter van de vakbond voor de publieke sector Abvakabo/FNV) er dan toe besloten?

Risicovol

Volgens het ABP wordt er van een mug een olifant gemaakt. Het pensioenfonds kan de premieverlaging doorvoeren, aldus Olaf Sleijpen, directeur algemeen financieel beleid, omdat het met ingang van volgend jaar al gaat werken volgens de nieuwe regelgeving die op 1 januari 2007 verplicht wordt gesteld: het nieuwe Financieel Toetsingskader (nFTK). Dit nFTK kent nieuwe solvabiliteitseisen waaraan het ABP zich al een jaar eerder dan strikt nodig conformeert. “De vaste rekenrente van 4 procent is losgelaten”, vertelt Sleijpen. “We werken nu alleen nog maar met de actuele rekenrente.” Om te voorkomen dat “de premie elk jaar alle kanten op schiet” omdat de rente daalt of stijgt, mag een pensioenfonds de premie stabiliseren. “Als het maar aansluit op de realiteit”, aldus Sleijpen.

Het ABP heeft ervoor gekozen om te werken met een verwacht rendement op zijn beleggingen. Het fonds hanteert daarbij de zogeheten 3-5-8 regel, die twee jaar geleden is vastgesteld door toezichthouder DNB. Dat betekent dat het ABP mag rekenen met een looninflatie van maximaal 3 procent, een effectief rendement op obligaties van maximaal 5 procent en een rendement op aandelen van maximaal 8 procent.

Maar het ABP benut die maximale ruimte niet volledig, zegt Sleijpen. “We hebben de rekenrente op 4,2 procent geschat, de stand van de rente ultimo 2004.” Met dit percentage heeft het fonds het herstelplan goedgekeurd gekregen bij de toezichthouder. Maar voor de premiestelling gaat het ABP nu uit van een gemiddeld rendement van 6 procent vóór en 3 procent na inflatie op de gehele beleggingsportefeuille. “Daarmee rekenen we ons niet rijk”, zegt Sleijpen.

ABP-bestuurslid en Abvakabo-voorzitter Snoey is het met Sleijpen eens. “Er zijn natuurlijk allerlei theorieën over de rente-ontwikkeling en dat maakt de afweging lastig. We hebben uitgebreid gediscussieerd in het bestuur. Als wij dachten dat het onverantwoord zou zijn, hadden wij het besluit niet genomen.” Maar Roodbol van Delta Lloyd meent dat het ABP toch moet oppassen. “Ik vind een reeël rendement van 3 procent een forse doelstelling. Niet erg prudent. Ik zou voor maximaal 2,5 procent hebben gekozen. Velen denken momenteel dat de rente omhoog gaat. Maar wanneer en met hoeveel weet niemand.”

Het huidige reële rendement op obligaties komt niet boven 1 procent uit, en bij de huidige, matige economische groeivooruitzichten in de eurozone kan de reële rente lange tijd zo laag blijven.

Uithollen

Ook de kritiek op het uitblijven van de volledige indexatie van de pensioenen en de pensioenaanspraken van werkenden legt het ABP naast zich neer, ondanks het feit dat daardoor de waarde van de pensioenen wordt uitgehold. “De premie die we hebben vastgesteld is de actuarieel kostendekkende premie”, zeggen ABP-directeur Sleijpen en ABP-bestuurslid Snoey. Echter, zonder opslag van 14,4 procent, zoals in 2005 het geval was, voor het wegwerken van het bestaande reservetekort. Sleijpen: “Die extra opslag hebben we niet nodig. Het ABP hanteert een indexatiestaffel, waarbij de indexatie afhankelijk is van de dekkingsgraad. We komen zo op tijd uit het herstelplan.”

Omdat het ABP een relatief rijp fonds is, is het lastig geworden om de dekkingsgraad op peil te brengen met premieverhogingen. “Om de dekkingsgraad met 1 procent omhoog te krijgen, zouden we de premie met 7 procentpunt moeten verhogen”, zegt Sleijpen. Het ABP mikt dan liever op beperking van de indexering en hoopt onder meer op gunstige beleggingsresultaten. Als die onverhoopt tegenvallen, zal het fonds evenwel de premie alsnog moeten verhogen, erkent Sleijpen.

Zo wordt het probleem dat er niet volledig geïndexeerd kan worden, naar de toekomst geschoven. Dat kan vervelend uitpakken, want het ABP belooft de deelnemers dat de nu tekortschietende indexatie in de toekomst zal worden “ingehaald” als de dekkingsgraad dan tenminste op peil is. Richting de deelnemers communiceerde het ABP dat premieverlaging pas mogelijk is ‘wanneer sprake is van volledige inhaalindexatie’.

Ambitie

De beslissing om nu de pensioenpremie te verlagen, met een beroep op het overgangsregiem van het nFTK, blijft nog wel binnen de letter van het (nieuwe) toezichtsregime, maar het beleid is moeilijk te rijmen met de (inhaal)indexatieambitie die het fonds naar de deelnemers heeft gecommuniceerd. “Wij hebben nog steeds de ambitie om volledig te indexeren. Op termijn willen we de schade compenseren”, zegt Snoey. Daarvoor zal veel geld nodig zijn, dat in de visie van het ABP vooral uit de aandelenmarkt zal moeten komen.

Toezichthouder Dirk Witteveen vindt dit duidelijk “optimistisch”. Het fonds voor de Metalektro-industrie (PME), dat overigens nog niet op het nFTK is overgegaan, staat er financieel beter voor dan het ABP, maar kiest voor handhaving van de premie op het huidige hoge niveau, zolang er niet volledig geïndexeerd kan worden. ‘Op die manier verdeelt PME de lasten over alle betrokkenen in de bedrijfstak’, schrijft het fondsbestuur deze week in een persbericht. Een voorbeeld voor het ABP.

  • E-mail dit Artikel
  • RSS feeds
  • Nieuwsbrief