De Centraal Economische Commissie geldt als het machtigste adviesorgaan van het kabinet. Zeker bij de totstandkoming van nieuwe regeringen, zoals in de
huidige kabinetsformatie, hebben haar aanbevelingen veel invloed. Te veel, volgens sommigen. Portret van een stille kracht.
Tijdens kabinetsformaties beleeft de Centraal Economische Commissie (CEC) haar finest hours. Dit zijn de perioden waarin het met een waas van geheimzinnigheid omgeven overlegorgaan van topambtenaren zijn invloed op de toekomst van de Nederlandse economie kan doen gelden. Dit is ook de tijd waarin de CEC volop in de publiciteit verschijnt. Op zichzelf is dat gek, want het beraad heeft achter hermetisch gesloten deuren plaats en het slotmemorandum wordt steevast afgedicht met een parmantig ‘vertrouwelijk’. Niettemin staan de uitkomsten de dag na verschijning gegarandeerd in alle kranten. Journalisten jagen als bezetenen op het document, politici beoefenen de nobele kunst van het ‘strategisch lekken’. En dat is ook alleszins begrijpelijk. Het gaat hier immers niet om de zoveelste dorre beleidsnota, maar om een soort blauwdruk van ’s lands financieel-economische toekomst. Onlangs adviseerde de CEC de beoogde coalitiepartners CDA en PVDA om tot 2007 veertien miljard euro te bezuinigen op de rijksbegroting. Het was voorpaginanieuws.
Zoals de meeste instituties van het poldermodel, is ook de CEC ontstaan in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog, tijdens de periode van wederopbouw. Een gremium dat perfect paste in het destijds gekoesterde ideaal van de geplande economie. Het Centraal Planbureau, het Centraal Bureau voor de Statistiek, de Sociaal-Economische Raad: het zijn allemaal producten van een tijd waarin de hoop leefde dat je de samenleving kon sturen op grond van objectieve cijfers. De CEC fungeerde in dit systeem als de ambtelijke afspiegeling van de Raad voor Economische Aangelegenheden, een nog altijd bestaande onderraad van de regering.
Diepgewortelde afkeer
In het dagelijkse bestuur van de CEC zijn de financieel-economische deskundigen van het Rijk vertegenwoordigd. Ieder vervult in dit ambtelijk machtsblok zijn eigen rol. Voorzitter is traditiegetrouw de secretaris-generaal van het ministerie van Economische Zaken. Op dit moment is dat Jan Willem Oosterwijk, voorheen thesaurier-generaal op Financiën. EZ geldt niet alleen als de denktank die de grote lijnen uitzet, maar tevens als de prediker die voortdurend het belang van economische groei in de geesten ranselt. Vanuit dat gezichtspunt heerst binnen het departement dan ook een diepgewortelde afkeer van remmende factoren als belastingverhoging.
Cruciale rollen spelen verder de thesaurier-generaal van Financiën, Kees van Dijkhuizen, en de secretaris-generaal van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Ronald Gerritse. De eerste treedt op als strenge boekhouder die permanent de begrotingsdiscipline in de gaten houdt. De topambtenaar van Sociale Zaken waakt over de koopkracht en de uitkeringen. Namens Algemene Zaken heeft secretaris-generaal Wim Kuijken zitting in de CEC. Hij let vooral op de bestuurlijke haalbaarheid van de voorstellen die in deze ambtelijke hogedrukketel naar boven komen borrelen.
Andere prominente leden zijn Henk Brouwer, directeur van De Nederlandsche Bank, en directeur Henk Don van het Centraal Planbureau. Zij gelden als de externe kwaliteitsbewakers die aan de periferie van het Haagse aquarium opereren. Het secretariaat van de CEC, ten slotte, wordt gevoerd door directeur Hans Vijlbrief van de EZ-afdeling Algemene Economische Politiek (AEP). Hij is degene die de conclusies van de beraadslagingen comprimeert in het uiteindelijke advies. EZ levert dus zowel de voorzitter als de secretaris van de CEC en lijkt daarmee de regie te voeren.
Hoewel de CEC te boek staat als een van de machtigste adviesorganen van de regering, is haar invloed sterk wisselend. In tijden van crisis rijst de ster van de ‘club’ als vanzelf tot grote hoogtes. Het duidelijkst was dat te zien in het begin van de jaren tachtig, toen de Nederlandse welvaartsstaat alleen met drastische ingrepen uit het moeras kon worden getakeld. Nadat de sanering pakweg een decennium later was voltooid, trad de commissie veel minder op de voorgrond en beperkte ze zich tot adviezen over algemene, meer abstracte onderwerpen als privatisering en marktwerking.
Superieure kastijdingen
Nu de economie inmiddels wederom in het slop is geraakt – met een groei van 0,3 procent over het afgelopen jaar presteerde Nederland slechter dan welk land ook in de Europese Unie – kijken beleidsmakers weer begerig uit naar de superieure kastijdingen vanuit ’s lands financieel-economische cockpit. De politici zullen het uiteraard niet toegeven, maar het is verdomd handig om in onzekere tijden een beroep te kunnen doen op wat tegenover het grote publiek makkelijk te presenteren valt als de ‘objectieve waarheid’.
De reikwijdte van de CEC is verder sterk afhankelijk van persoonlijke factoren. Onder de kabinetten-Lubbers zwaaide de door iedereen gerespecteerde Frans Rutten (EZ) de scepter in de commissie. Waar hij zich tegenwoordig verdiept in metafysische beschouwingen over de verschijning van de heilige Maria, gold hij in de jaren tachtig als drijvende kracht achter een spijkerhard no-nonsensebeleid. Lubbers en Rutten konden goed met elkaar overweg, ze zaten ideologisch op dezelfde golflengte en waren beiden afkomstig uit de Katholieke Volkspartij (KVP), een van de voorlopers van het CDA.
Rutten is waarschijnlijk de meest invloedrijke CEC-voorzitter die er ooit is geweest. Zijn befaamde nieuwjaarsartikelen in het blad Economisch Statistische Berichten (ESB) werden beschouwd als bijbelteksten. Als Rutten zei: ‘Doe nou maar wat ik zeg, jongens, dat is goed voor het land’, dan gebeurde het ook.
Tijdens de paarse kabinetten was de invloed van de CEC niet alleen minder door de opgeleefde conjunctuur. Ook de persoonlijke instelling van premier Wim Kok speelde een rol. Het was de periode waarin het ‘primaat van de politiek’ werd uitgedragen en daarin was minder plaats voor een schimmig college dat van achter de coulissen de zaken richting gaf. Daar kwam bij dat Wim Kok als voormalige minister van Financiën precies wist hoe hij het eminente gezelschap in toom moest houden. En dat gold al helemaal voor zijn opvolger op het departement, Gerrit Zalm. Die was niet alleen vijf jaar directeur van het CPB geweest, maar had in de periode daarvoor ook nog eens de hoogste post bekleed bij de directie Algemene Economische Politiek van EZ. Met twee van zulke oude rotten tegenover zich, werd de speelruimte van de CEC automatisch kleiner.
Sinds de opkomst van de ‘nieuwe politiek’ is de machtsbalans weer enigszins naar de andere kant verschoven. Zowel de meeste ministers in het huidige kabinet als premier Jan Peter Balkenende zelf hebben geen of weinig regeringservaring en hebben dus aanzienlijk meer behoefte aan wijze adviezen.
Dat roept dan wel meteen de vraag op of de macht van de CEC niet te ver reikt. Is deze samenballing van ambtelijke deskundigheid niet de ultieme nachtmerrie van degenen die al sinds jaar en dag waarschuwen voor de om zich heen grijpende invloed van de zogeheten vierde macht?
Vaststaat dat het om een select gezelschap van mensen gaat, die met elkaar een klassiek old boys network vormen. Spin in het web lijkt de huidige fractieleider van de VVD in de Tweede Kamer, Gerrit Zalm, met zijn indrukwekkende aaneenrijging van functies in het ambtelijke apparaat en de Haagse politiek. Verder is er een onmiskenbare ‘VU-connectie’. De meeste leden van de CEC hebben gestudeerd aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. AEP-directeur Hans Vijlbrief bekleedt er zelfs een bijzonder hoogleraarschap. Zijn voorganger op die post: de onvermijdelijke Gerrit Zalm. Ook de demissionaire premier Balkenende was trouwens bijzonder hoogleraar aan de VU, en om het beeld compleet te maken: regeringsonderhandelaar Wouter Bos voltooide zijn studie economie eveneens aan het protestantse bolwerk aan de Amsterdamse Zuidas.
Het weekblad Elsevier wist onlangs te melden dat de voormalige VU’ers elkaar om de zes weken informeel ontmoeten in een restaurant in Oegstgeest, als lid van het Abraham Kuypergenootschap.
Op de keien gekwakt
Binnen de CEC heeft menigeen zich vorig jaar achter de oren gekrabt, toen Pim Fortuyns tirade tegen de achterkamertjes in de Nederlandse politiek zo veel publieke bijval kreeg. Doelt hij ook op ons?, was de vraag die zich opdrong. De kritiek werd als onheus ervaren. De CEC beperkt zich tenslotte tot het opstellen van adviezen. De politiek moet vervolgens zelf bepalen wat ze daarmee doet. Er is dus altijd sprake van democratische controle. En de verwijten dat de aanbevelingen nooit openbaar worden gemaakt, slaan al helemaal nergens op. Zodra een advies de ministerraad bereikt, ligt het immers in volle glorie op straat. Als een kamerlid het per se wil hebben, heeft hij het binnen een dag. Veelzeggend genoeg is de CEC er uitermate tevreden over dat het recentste, zoals gebruikelijk uiterst geheime, advies pas in de openbaarheid kwam toen het was afgerond. Normaal gesproken worden al ruim van tevoren hele flarden op de keien gekwakt.
De neiging bestaat om de CEC te portretteren als een orgaan van koele, onafhankelijke deskundigen die boven de partijen staan en vanuit die positie de politiek bestoken met waardevrije oordelen. Die claim van objectiviteit is uiteraard een illusie. Stel drie economen een vraag en je krijgt drie verschillende antwoorden. Binnen de CEC zijn ook verschillende politieke stromingen vertegenwoordigd. Wim Kuijken, de vertegenwoordiger van Algemene Zaken, is bijvoorbeeld een bekende PVDA’er. En Kees van Dijkhuizen stond vorig jaar zelfs op de nominatie om namens de VVD minister van Financiën te worden.
De CEC-leden zelf gaan er echter prat op dat hun politieke achtergrond geen enkele rol speelt bij de besluitvorming. Ze verdedigen natuurlijk wel de belangen van het departement dat ze vertegenwoordigen, maar verder zien ze zichzelf als technocraten die een hoger doel dienen. Wat daarbij opvalt, is dat consequent prioriteit wordt gegeven aan een degelijk financieel beleid. Vanuit de hecht verankerde overtuiging: als wij al geen solide financiële adviezen meer geven, gaat het echt mis. Dit algemeen aanvaarde uitgangspunt zorgt er ook voor dat het meestal niet lang duurt voordat consensus is bereikt. De regel is: hoe nijpender de economische situatie van het land, hoe sneller er overeenstemming komt.
Bij de kabinetsformatie van vorig jaar zag het er nog niet zo ongunstig uit als nu en konden de topambtenaren het zich permitteren nog wat te bakkeleien over hun eigen departementale stokpaardjes. EZ pleitte voor belastingverlaging, de spending departments wilden de uitgaven verhogen. Maar in de crisissfeer die nu zo langzamerhand is ontstaan, konden veel sneller compromissen worden gesloten. Onder druk van de verslechterde economische ontwikkeling ontstond begin januari al een ware verbroedering. Aan het einde van die maand konden de zaken dan ook in grote harmonie worden afgerond.
Foto’s bij artikel:
JAN WILLEM OOSTERWIJK (51)
Oosterwijk is secretaris-generaal van het ministerie van Economische Zaken (EZ). In die hoedanigheid is hij automatisch voorzitter van de Centraal Economische Commissie (CEC). Tussen 1984 en 1986 was hij directeur bij de afdeling Algemene Economische Politiek, die geldt als denktank van EZ. Tussen 1996 en 2000 was Oosterwijk thesaurier-generaal bij het ministerie van Financiën.
KEES VAN DIJKHUIZEN ( 47)
Van Dijkhuizen is sinds 2000 thesaurier-generaal bij het ministerie van Financiën. Eerder was hij onder meer directeur van de afdeling Algemene Economische Politiek van het ministerie van Economische Zaken en directeur-generaal van de rijksbegroting op het departement van Financiën.
RONALD GERRITSE (52)
Gerritse is secretaris-generaal bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Binnenkort verkast hij naar het departement van Financiën waar hij eveneens als hoogste ambtenaar aan de slag gaat.
WIM KUIJKEN (51)
Kuijken is secretaris-generaal op het ministerie van Algemene Zaken (AZ). Eerder vervulde hij dezelfde functie bij het departement van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Zijn illustere voorganger bij AZ, Ad Geelhoed, omschreef de functie ooit als volgt: ‘De inhoud van het beleid wordt op de verschillende vakdepartementen gemaakt. Wij rangeren de wagons en proberen er een trein van te maken die kan rijden.’
HENK DON (48)
Don is sinds 1994 directeur van het Centraal Planbureau (CPB). Hij volgde destijds Gerrit Zalm op, die minister van Financiën werd in het kabinet-Kok. Don was tussen 1990 en 1999 bijzonder hoogleraar in de methoden van toegepast economisch onderzoek aan de Universiteit van Amsterdam.
HENK BROUWER (56)
Brouwer is vanaf 1997 directeur bij De Nederlandsche bank. Daarvoor was hij onder meer lid van de hoofddirectie van de Nederlandse Philipsbedrijven bv en thesaurier-generaal bij het ministerie van Financiën. Net als veel andere CEC-leden studeerde hij economie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.
Kader bij artikel:
BEZUINIGEN!
In een vertrouwelijk advies aan kabinetsinformateur Piet Hein Donner becijferde de Centraal Economische Commisie eind januari dat 14,5 miljard euro aan bezuinigingen of lastenverzwaringen nodig is om het begrotingstekort in 2007 tot nul terug te dringen. Met zoveel woorden maken de topambtenaren duidelijk dat ontkoppeling van ambtenarensalarissen en uitkeringen noodzakelijk is als de sociale partners er niet in slagen de stijging van de marktlonen te matigen. De overheid zou dan voor ‘de inkomens in de collectieve sector haar eigen verantwoordelijkheid moeten nemen’. Andere bezuinigingen zoekt de commissie in het openbaar bestuur, bijvoorbeeld door het schrappen van subsidies. Verder denkt ze onder meer aan hogere tarieven in het openbaar vervoer, versobering van de huursubsidie en invoering van het profijtbeginsel in het hoger onderwijs.
Auteur(s): Gert-Jan Jansen
Bron: FEM Business , jaargang 6 , nummer 10 , datum 8-3-2003
Abonneer u op de gratis dagelijkse nieuwsbrief van fembusiness.nl
Neem een (proef)abonnement op FEM Business