‘Na Pims dood dacht ik: hoe kom ik hieruit?’

Naam: Wim van Sluis

Functie: wethouder Rotterdam

Lokatie: Zeezout, Rotterdam

Wim van Sluis was een jaar geleden nog accountant. Inmiddels zwaait de financiële vertrouwensman van Pim Fortuyn de scepter over ’s werelds grootste haven.

“Mijn excuses”, zegt Wim van Sluis (44) als hij een halfuur te laat in restaurant Zeezout arriveert. “Ik zat vast in een raadscommissie. Ik moest uitleg geven over de toekomst van de SS Rotterdam.”

Het vermaarde stoomschip, zo vertelt de wethouder milieu, economie en haven, dat nu in een dok op de Bahama’s ligt, moet een vaste plek krijgen in Rotterdam. De Rijnhaven is de beste stek. Rond die haven zijn echter woningbouwprojecten gepland. De projectontwikkelaars vrezen dat hun huizen minder waard worden als de SS Rotterdam in de Rijnhaven komt en willen het schip er dus niet hebben. De exploitanten van de SS Rotterdam zien weer niets in een andere lokatie. Een patstelling dus, die uitgebreid is besproken in de Rotterdamse media.

“Tja”, zegt Van Sluis. “Het is altijd lastig als zaken voortijdig in de pers komen. Raadsleden hebben het gevoel dat ze niet goed geïnformeerd worden en wij krijgen het verwijt dat we hebben zitten slapen. Dat is niet zo. We zijn er al vier maanden mee bezig. Dat heb ik dus even uitgelegd. En ik heb gezegd hoe de zaken ervoor staan. Ik wil de SS Rotterdam graag hier hebben, maar ik moet zakelijk blijven. Met de woningbouwprojecten zijn honderden miljoenen euro’s gemoeid, met de ‘Rotterdam’ veertig miljoen. Woningbouw is een prioriteit van het college, de komst van een stoomschip niet. Nou, dan is het duidelijk. Het schip komt niet in de Rijnhaven.”

Duidelijk en zakelijk. Zo is Van Sluis’ imago en zo komt hij over tijdens het vraaggesprek. Tegelijkertijd weet hij, gezeten achter een dorado royal en een glas witte wijn, aannemelijk te maken dat hij het naar zijn zin heeft als wethouder. Natuurlijk, het was wennen. Van Sluis die vijftien jaar zijn eigen accountantskantoor leidde, had weinig politieke ervaring. Hij spreekt de taal van het bedrijfsleven en maakt deel uit van een totaal nieuwe partij die niets op heeft met stroperigheid en ellenlange bestuurlijke procedures. Daarnaast, zo blijkt al pratend, beschikt hij, zoals meer ondernemers, over een zekere dosis ongeduld.

Van Sluis, die vlot formuleert, heeft niet de minste moeite dat toe te geven. “In het begin had ik het wel eens moeilijk met, hoe zeg ik dat netjes, de duale rol: dat de wethouder regeert en de raad controleert. Ik moet ontzettend veel uitleggen en vaak reageren op geruchten en geroezemoes. Dat kost veel tijd. Ik heb me vaak verbaasd over het feit dat de raad eindeloos over details praat, maar de begroting van het havenbedrijf in vijf minuten goedkeurt. En dacht dan wel eens: jongens, jongens. Raadsleden horen zichzelf graag praten, ze willen punten scoren. Dat is niet altijd functioneel. Maar boos worden helpt niet, dat heb ik wel geleerd. Raadsvergaderingen zijn toch het feestje van de raadsleden. Ik ben er nu aan gewend en vind het wel een leuk spel.”

Invloed uitoefenen

Van Sluis beschouwt het raadsdebat over de positie van de Rotterdamse haven als voorlopig hoogtepunt van zijn nu negen maanden durende wethouderschap. Hoewel de aandelen van het havenbedrijf in handen blijven van de gemeente, krijgen de havenbestuurders meer vrijheid om zelf beslissingen te nemen. Plannen om het havenbedrijf losser te laten opereren van de gemeente waren er al langer, geeft Van Sluis toe, maar onder zijn leiding zijn ze uitgewerkt en daar is hij content mee.

Ook aan de speech die hij op 27 december hield voor de hele havengemeenschap heeft Van Sluis goede herinneringen. In tegenstelling tot de sombere verwachtingen bleek de haven in 2002 meer goederen te hebben overgeslagen dan in 2001. Een klein deel van die stijging schrijft Van Sluis op zijn conto. “Ik heb de haven vorig jaar al meer ruimte gegeven om op de marktomstandigheden in te spelen. Die ruimte hebben ze genomen en dat is goed uitgepakt. Die stijging is dus een beetje het gevolg van mijn beleid. Dat voelt lekker.”

Het besturen bevalt hem, ook al zijn de marges vaak klein. “Het leuke is dat je invloed kunt uitoefenen. Dat je kunt sturen in de uitvoering, dat je je eigen accenten kunt leggen. Dat geeft een prettig gevoel. Bovendien is Rotterdam een grote stad, een bedrijf met twintigduizend werknemers én tienduizend Melkert-banen. De haven is voor Nederland van een enorm belang. Ik bedoel: het gáát wel ergens over.”

Een paar maanden geleden oogstte Van Sluis verbazing toen hij zei dat hij vooral de continuïteit van het bestuur dient – een opmerkelijk geluid voor een wethouder van Leefbaar Rotterdam. Nu zegt hij: “Juist omdat besturen ergens over gaat, moet het wel zorgvuldig gebeuren. Je moet ook een vertrouwensbasis hebben met je ambtenaren.” Dat wil niet zeggen dat alles bij het oude blijft. “We werken aan een andere manier van besturen – meer op resultaten gericht. We meten elke drie maanden of we goed in de markt liggen en of we doen wat mensen wensen. Wij willen de veiligheid vergroten. Ik doe dat zelf ook. Milieu zit in mijn portefeuille. Dat onderwerp heeft veel met veiligheid te maken.”

Van Sluis hield zich in het begin van zijn wethouderschap gedeisd: “Herman Heinsbroek riep zodra hij minister was meteen dat hij subsidies maar niks vond. Dat is dé manier om je ambtenaren tegen je te krijgen. Ik heb de eerste maanden vooral gebruikt om me in te lezen. Ik vond dat ik eerst moest weten waar het allemaal om ging.”

Die aanpak heeft gewerkt. Van Sluis geldt in het Rotterdamse als een wethouder die zijn zaakjes kent. Hij haalde de landelijke pers door te bemiddelen in de ‘vuurwerkkwestie’. De eisen die Den Haag aan het vervoer van vuurwerk stelde, waren zo hoog dat schepen met vuurwerk de haven van Rotterdam meden. “Ik begrijp dat je na de ramp in Enschede voorzichtig moet zijn. Maar een haven is geen woonwijk”, zegt Van Sluis droog. Veel tijd is hij kwijt aan de Tweede Maasvlakte. Die moet er komen, al heeft Leefbaar Rotterdam een nieuwe vaargeul voor die vlakte geschrapt. Dat scheelt ruim een miljard euro aan kosten. Geregeld is het dossier overigens nog niet. Daarover gaat het nieuwe kabinet.

Van Sluis verbaast zich nog regelmatig nu hij deel uitmaakt van het stadsbestuur. Over alles wat nodig is om een wedstrijd van Feyenoord te laten doorgaan bijvoorbeeld. Of over de taak die hij heeft bij het verlenen van inbewaringstellingen (ibs) van burgers die een gevaar voor zichzelf of hun omgeving zijn. In de meeste gemeentes schrijft de burgemeester zo’n ibs uit. In Rotterdam rouleert die taak tussen burgemeester Ivo Opstelten en zijn wethouders. Als Van Sluis ‘dienst ‘heeft , moet hij een week lang 24 uur per dag telefonisch bereikbaar zijn, waar hij ook is. “Vreemd dat B & W daarover gaan. Wat weten die er nou van? Maar het kan bij zo’n ibs wel gaan om leven en dood.”

Van Sluis heeft restaurant Zeezout gekozen omdat hij een van de vennoten kent. Dat is Herman den Bleijker, de eigenaar van restaurant De Engel. Koks die in De Engel hun opleiding krijgen, kunnen later koken in of bedrijfsleider worden van andere restaurants waarin Den Bleijker een belang heeft. Een mooi initiatief, vindt Van Sluis, die daarom vaak in een van die restaurants eet.

Natuurlijk komt het gesprek op Pim Fortuyn. Fortuyn klopte in 1988 bij het toen net opgerichte accountantskantoor van Van Sluis aan met het verzoek een aantal financiële zaken te regelen. Een jaar later deed Fortuyn een beroep op het kantoor nadat hij van het ministerie van onderwijs opdracht had gekregen de ov-studentenkaart vorm te geven. De twee waren inmiddels bevriend. Van Sluis werd Fortuyns financiële vertrouwensman en zou dat blijven tot diens gewelddadige dood.

Waarom bent u wethouder geworden?

“Toen Pim vertelde dat hij de politiek inging, zei ik: ‘Als je me nodig hebt, kun je een beroep op me doen’. Dat moment kwam vorig jaar. Op mijn kantoor werkten veertig man, ik had mijn zakelijke doelen bereikt, was toe aan iets anders. En ik ben altijd geïnteresseerd geweest in dingen die lagen op het snijvlak tussen maatschappij en bestuur.”

Dacht u wel eens: waar ben ik aan begonnen?

“Ja, na de dood van Pim. Ik was op vakantie bezig om me in te lezen. Toen kwam het bericht: vriend dood. Die dagen beleefde ik in een roes. Het was heel dreigend. Ik kreeg politiebewaking – die eerst slecht en daarna goed geregeld was – mijn gezin kreeg een klap en er moest ontzettend veel gebeuren. Toen heb ik wel eens gedacht: hoe kom ik hieruit? Maar er was geen weg terug.”

Had Fortuyn het gered als premier?

“Pim was een goede teammanager. Dat klinkt raar, maar dat was hij. Hij prikte feilloos door lulkoek heen. Als hij de juiste ploeg mensen om zich heen had kunnen verzamelen, was het hem gelukt. En vergeet niet: Pim had nooit gedacht dat de LPF zo veel stemmen zou krijgen. Hij had gerekend op maximaal vijftien zetels. Wat hij in zijn hoofd had, was premier worden van een kabinet met VVD en CDA.”

Als u uw ambtstermijn volmaakt, wat dan? Blijft u in de politiek?

“Geen idee. Nu vind ik het leuk wat ik doe. Maar als ik geen steun meer heb, vertrek ik. Zoiets kan altijd gebeuren. Als zich een ramp voordoet en ik ben daar puur formeel gezien verantwoordelijk voor, dan moet ik weg. Ik heb overigens nog een fall-back. Ik kan terug naar mijn accountantskantoor. Maar het bevalt me goed.”

Van welke ondernemers hebt u een hoge pet op?

“Dat is een moeilijke. Ik heb niet zo gauw een hoge pet op van andere mensen. Eens denken. Hans de Boer. Die heeft MKB-Nederland echt op de kaart gezet. En Piet Hoogendoorn. Die heeft van Deloitte & Touche een heel grote club gemaakt. En ook bij de Nivra [de beroepsorganisatie van de registeraccountants, red.] doet hij het goed.”

Nog politici die u bewondert?

“Politici? Dat is een heel moeilijke. Ivo Opstelten is een topbestuurder. En een goed politicus.”

Landelijke politici?

“Ik vond Hans Wijers wel een goeie. Hij deed niet alles goed, maar was wel vernieuwend. Hij bracht iets teweeg. Den Uyl deed dat ook trouwens. Al waren de uitkomsten daarvan niet altijd even goed.”

  • E-mail dit Artikel
  • RSS feeds
  • Nieuwsbrief