Wat kan de Nederlandse overheid doen om innovatie te stimuleren? Staatssecretaris Joop Wijn van Economische Zaken kiest voor vier sleuteltechnologieën.
Het trappenhuis van het ministerie van Economische Zaken (EZ) ligt er tien januari wat rommelig bij. Werklieden zijn bezig nieuw tapijt te leggen. “Krijgen jullie páárs tapijt?”, vraagt een bezoeker grijnzend aan een ambtenaar. Hij grijnst even breed terug: “Je moet het zo zien: wij lopen de komende jaren over paars heen.” Hij maakt nog een opmerking over Herman Heinsbroek en Jan des Bouvrie en spoedt zich verder met zijn dossier.
De restyling is symbolisch. Minister Heinsbroek mag dan al snel opgestapt zijn, dat weerhoudt demissionair staatssecretaris Joop Wijn (CDA) er niet van om EZ grondig op de schop te nemen. Het subsidiebeleid moet overzichtelijker en effectiever worden. Wijn hamert voortdurend op het belang van innovatie. Hij studeerde in 1991 af als econoom, onder andere op de Amerikaanse econoom Michael Porter. “Porter is zeker in mijn denkwereld geslopen.”
Volgens het Global Competitiveness Report van Porter is Nederland gedaald van de derde naar de zevende plek. Wat is er fout gegaan?
“We hebben een open economie, als het goed gaat met de wereld gaan we daarin mee. Nu het slecht gaat dus ook. In de goede tijden is versluierd dat de onderliggende structurele positie van de economie sluipenderwijs is geërodeerd. Ik denk dat er bij de overheid en het bedrijfsleven een vorm van gemakzucht is ingeslopen.”
Wat wilt u daaraan doen met EZ?
“De overheid is doorgeschoten in laissez faire. Op zich is het goed dat we niet meer het oude bedrijfstakkenbeleid hebben, dat heeft geleid tot debacles als RSV en Fokker. Daar hebben we van geleerd en we zijn meer gaan doen aan generiek beleid. Dat is ook weer doorgeschoten. Er was een gebrek aan durf om te kiezen.
Ik kies voor vier doorbraaktechnologieën die de hele economie beïnvloeden. Ict kom je overal tegen. Hetzelfde geldt voor biotechnologie, nanotechnologie en katalyse (brandstofcellen, red.). Dat zijn technologieën die zowel producten als productieprocessen door de hele economie heen veranderen. In de Verenigde Staten zijn ook geen twaalf Silicon Valleys, dus binnen Europa zullen dat er ook geen vijftien worden. Vandaar onze keuze voor technologieën waarin we echt in de wereldtop kunnen meedraaien.”
Een beetje econoom vraagt dan meteen: waarom weet het ministerie beter dan de markt waarin we moeten investeren?
“Dat weten we dus ook niet. Maar het was aan EZ om de aftrap te geven. Als we van het bedrijfsleven niet horen dat het andere thema’s moeten worden, dan worden het deze vier. Men is nu een beetje afwachtend. Er is veel enthousiasme, maar de concrete reacties moeten nog komen. Vooral de universiteiten zijn wat defensief.”
Er zijn dus bedrijven die straks geen subsidies meer krijgen.
“Ja, het zal her en der wel pijn gaan doen. We willen het aantal regelingen terugbrengen tot zes hoofdlijnen, zoals bijvoorbeeld technostarters en samenwerking. Ik heb als Kamerlid al eens tegen Annemarie Jorritsma gezegd: neem nou eens een schoon vel papier. Stel: er is nu nog niks, wat gaan we dan doen? Dat is wat we nu binnen het ministerie aan het doen zijn.”
Hoe weet je of bedrijven het onderzoek niet zouden doen zonder subsidies?
“Dat is een dilemma met alle subsidies. Wat je wel weet is dat de overheid zich niet moet bezighouden met uitontwikkelde producten. Je moet er in een vroege fase bij zijn. Bedrijven zullen een product sneller op willen pakken naarmate het verder in de ontwikkelingsfase zit. Een van de zes hoofdlijnen van ons nieuwe beleid is gericht op samenwerking, met een universiteit of met andere bedrijven. Je houdt altijd de vraag: zou het ook gedaan zijn zonder subsidie? Je moet goede voorwaarden stellen om het risico zo klein mogelijk te houden. Innovatiebeleid moet zoveel mogelijk effecten opleveren voor de hele economie, niet alleen voor het bedrijf zelf. Daarom zeg ik: het routinematig onderzoek gaat eruit. Voor een deel was het subsidiebeleid niet effectief genoeg. Als je door te kiezen goede prioriteiten stelt, krijg je automatisch al meer effectiviteit.
Recentelijk is het Amerikaanse computerbedrijf SCI weggegaan uit Heerenveen. Wat daar fout ging, was dat dit bedrijf onvoldoende ingebed was in structuren met andere bedrijven. Ze vlogen de onderdelen in, zetten het in elkaar en weg was het weer. We moeten de werving van buitenlandse bedrijven koppelen aan innovaties en aan wat we hier doen. Onze man in Amerika moet tegen een ondernemer kunnen zeggen: voor jou heb ik een hele goede onderzoeker in Utrecht. Daarom moet de communicatie binnen het ministerie ook beter.”
Mag een wetenschapper een octrooi meenemen van de universiteit om een eigen bedrijfje op te zetten?
“Ik wil het octrooisysteem moderniseren, maar dat is juridisch heel complex. Kennis koppelen aan een persoon is lastig. Het is wel gemeenschapsgeld, daar moet je voorzichtig mee zijn. Een tweede punt is het bekendmaken van octrooien. Billboarding noemen ze dat in de Verenigde Staten: universiteiten laten zien wat ze hebben en wat je daarmee kan doen.
Ik wil ook kijken naar het gemeenschapsoctrooi in de Europese unie. Dat moet je nu nog in alle talen aanvragen. Ik had laatst een diner met de bewindspersonen voor innovatie in de EU. Daar heb ik even ervaren hoe dat in Europa gaat. Het ging vooral over de rechtsgang en in welk land welke rechtbank bevoegd moest zijn. Er is nog veel te doen.”
U wilt meer toegepast onderzoek. Dat komt vaak voort uit fundamenteel onderzoek, waaraan wetenschappers misschien wel twintig jaar ongestoord hebben zitten klooien.
“Ik pleit alleen voor een andere verhouding, niet om het fundamenteel onderzoek af te schaffen. Dat blijft van groot belang. Universiteiten moeten wel een onafhankelijk karakter houden. Tegelijkertijd is kennisontwikkeling veranderd. Ik ben opgegroeid met de Donald Duck waarin Willie Wortel in zijn eentje briljante uitvindingen doet. Maar kennis is ingewikkelder geworden: je hebt kennis nodig om kennis te ontwikkelen en toe te passen. Er zijn ook mensen die zeggen: ‘laten we nou uitontwikkelde kennis van de plank kopen’. Dat werkt niet, omdat toepassen van die kennis al kennis vraagt.”
Lukt het herzien van de subsidies een beetje met die ambtenaren? Denken ze niet: ach, Wijn is maar een tussenpaus?
“Het gaat juist goed. EZ is een relatief jong ministerie en zeker jong van geest. Het klinkt paradoxaal, maar naarmate het economisch slechter gaat, gaat het beter met EZ. Ik zeg dat niet met vreugde, maar het biedt kansen om andere richtingen op te gaan.”
Auteur(s): Bart de Koning, Mathijs Bouman
Bron: FEM Business , jaargang 6 , nummer 4 , datum 25-1-2003
Abonneer u op de gratis dagelijkse nieuwsbrief van fembusiness.nl
Neem een (proef)abonnement op FEM Business