Innovatie: Help, we innoveren niet meer!

De concurrentiekracht van Nederland daalt alarmerend. Overheid en bedrijfsleven investeren veel te weinig in innovatie. Twee Rotterdamse bedrijfskundigen deden voor Michael Porter onderzoek naar de Nederlandse positie. ‘Lafheid en luiheid overheersen.’

Michael Porter belt niet vaak. Dus als de bekende Amerikaanse econoom aan de lijn hangt, weten Henk Volberda en Frans Van den Bosch, beiden hoogleraar aan de faculteit bedrijfskunde van de Erasmus Universiteit, dat het belangrijk is. Vorig jaar was het zover. “Hij vroeg of we mee wilden werken aan het onderzoek van het World Economic Forum naar de concurrentiekracht van bedrijven in verschillende landen, het Global Competitiveness Report”, zegt Van den Bosch. “We kennen hem al enige tijd. Porter ontving in 1993 een eredoctoraat aan de Erasmus en sindsdien hebben we regelmatig contact.” Porter is op 24 januari weer in Nederland. Op Nijenrode spreekt hij over bedrijfsstrategieën. “Een prima collega”, oordeelt Van den Bosch. “Een goede wetenschapper met een uitstekende wetenschappelijke reputatie. We werken graag met hem samen.” Om daar even later aan toe te voegen: “Zijn reputatie straalt natuurlijk ook op ons af.”

Van den Bosch en Volberda voerden onderzoek uit onder Nederlandse bestuursvoorzitters. De resultaten zijn rampzalig. Op alle mogelijke ranglijsten scoort Nederland slechter dan in voorgaande jaren. Het is een treurig palet: de technologische vooruitgang stagneert, de regelgeving van de overheid hindert de ontwikkeling van bedrijven, het macro-economische klimaat – inflatie, overheidsbestedingen, rentestand – is slechter dan in Thailand, Chili en Spanje. Ook op bedrijfsniveau is er veel mis. Het kennisniveau van ondernemingen loopt sterk terug.

Wie de lijsten bestudeert, raakt al snel depressief. Dat het slecht gaat met de economie is zo langzamerhand wel duidelijk en merkbaar. Maar dat de concurrentiekracht van Nederland zo achteruitloopt, is een enorme tegenvaller. Nu zelfs de kwakkelende economieën van Japan en Duitsland beter scoren, past Nederland alleen nog maar bescheidenheid.

Volberda en Van den Bosch noemen de situatie alarmerend. Ze maken zich vooral zorgen over de geringe investeringen in kennis en innovatie.

“De uitgaven van de overheid aan onderzoek en ontwikkeling zijn dramatisch achteruitgegaan”, constateert Volberda. “De politiek concentreert zich vooral op bezuinigen. Er gaat geld naar de politie, naar de Betuwelijn, naar meer asfalt, maar er is niemand die zegt: ho eens even! Nederland is een kenniseconomie, dus we moeten meer investeren in kennis en innovatie.”

Ook het bedrijfsleven laat onderzoek en ontwikkeling links liggen. KPN, Ericsson, Alcatel en Lucent hebben de afgelopen maanden onderzoekscentra in Nederland gesloten. Philips dreigt, vanwege het slechte klimaat, zijn onderzoeksactiviteiten binnen enkele jaren te verplaatsen naar het buitenland. “Ondernemingen zijn sinds de aanslagen van 11 september vooral bezig met kostenreducties”, aldus Van den Bosch. “Gedurfde strategieën bestaan nauwelijks meer. Lafheid en luiheid overheersen. Bezuinigen is een managementgospel geworden. Managers vertonen kuddegedrag door achter elkaar aan te lopen. Ze vergeten te kijken naar de lange termijn. Strategische vernieuwing blijft te veel achterwege.”

Laffe bedrijven

Van den Bosch heeft wel een verklaring voor dit conservatisme binnen het Nederlandse bedrijfsleven. “De aandeelhoudersbelangen”, zegt hij. “In de jaren negentig is in Nederland het shareholder thinking geïntroduceerd. Ondernemingen zijn ontzettend bezig de belangen van hun aandeelhouders te beschermen. Maar, dat is nog geen strategie! Nederlandse bestuursvoorzitters durven daardoor geen risico’s te nemen.” Volberda hoopt op een kentering. “Na alle fraudegevallen in Amerika, zoals bij Enron en Worldcom, is de hype rond de aandeelhoudersbelangen wel wat voorbij. En als managers die belangen toch bovenaan de lijst laten staan, dan moeten ze de aandeelhouders niet onderschatten. Zeker institutionele beleggers kijken wel naar de toekomst. Bestuurders zouden goed moeten uitleggen wat hun strategie is en welke doelen ze nastreven. Dan lukt het wel. In het jaarverslag zouden ze ruimte moeten scheppen om tekst en uitleg te geven over hun strategie en investeringen in kennis en innovatie.”

De Rotterdamse hoogleraren merkten tijdens hun onderzoek ook dat regelgeving van de overheid bedrijven hindert in hun technologische ontwikkeling. En niet omdat de regels te streng zijn, zoals bijvoorbeeld de lobby van Schiphol doet geloven. Nee, de regels zijn juist te soft. “Hoe moeilijker de overheid het met toekomstgerichte regelgeving maakt voor bedrijven, hoe beter dat is”, legt Van den Bosch uit. “Als Schiphol tekeergaat tegen de strakke milieuwetgeving, dan denkt de luchthaven alleen aan de korte termijn. Strenge regels leiden in eerste instantie tot minder groei, maar na verloop van tijd weet een bedrijf hoe het daarmee om kan gaan. En dat levert concurrentievoordeel op. Als Schiphol als eerste met de milieuwetten leert leven, dan kan ze die kennis exporteren. Bijvoorbeeld naar Amerikaanse luchthavens.”

De derde oorzaak van de innovatielethargie bij ondernemingen is het gebrek aan onderlinge concurrentie op dit terrein. “Bedrijven zien technologie als iets uit de vervlogen internettijd en proberen elkaar niet meer de loef af te steken met vernieuwingen”, zegt Volberda.

Michael Porter is het daarmee eens. In zijn Global Competitiveness Report gaat hij in op de opmerkelijke duikeling van Nederland. Hij constateert dat Nederland lijdt aan een gebrek aan concurrentie. “Dat roept vragen op over de houdbaarheid van het poldermodel en de politiek van de loonmatiging”, schrijft hij. Porter vindt dat de welvaartsgroei moet komen uit verbetering van de arbeidsproductiviteit. Dat wordt bereikt door innovatie. Het stroperige overlegmodel dat in Nederland heerst, belemmert deze ontwikkeling alleen maar.

Concurrentiekracht

Is er dan helemaal geen hoop meer voor Nederland? Zakt onze concurrentiekracht af naar een niveau dat past bij Oost-Europese landen? Als we niet oppassen wel. “De concurrentie ontwikkelt zich snel. Nederland moet daarom harder gaan lopen om weer in de top-tien te komen”, waarschuwt Van den Bosch. “Er zijn bedrijven die het wel goed hebben begrepen”, zegt Volberda. “Die investeren juist in economisch slechte tijden in technologie. En die behalen dan ook een groot voordeel ten opzichte van concurrenten.” Als voorbeelden noemen ze ING en Rabobank, waarnaar ze onderzoek hebben gedaan. Deze banken investeerden in een tijd dat internet een vies woord was, veel geld in hun virtuele banken. Inmiddels is de internetbank van Rabobank de grootste van Europa. ING Direct, de digitale evenknie van ING, maakt inmiddels winst en wordt door de bank gebruikt om nieuwe geografische markten te veroveren. ING en Rabobank hebben op internet een grote voorsprong genomen op hun concurrenten.

Volberda en Van den Bosch hopen dat meer bedrijven het aandurven te investeren in innovatie. “Als je kijkt naar bedrijven die al heel lang bestaan, zie je dat die altijd ruimte houden om te investeren. Ook in slechte tijden”, zegt Van den Bosch. De twee bedrijfskundigen benadrukken dat ondernemingen niet alles zelf hoeven te doen. Ze kunnen in netwerken opereren. Succesvolle bedrijven als Nokia en Cisco doen dit al. Zij maken hun producten niet zelf, maar besteden dat uit aan partners. Ook verkoop verloopt via allianties. Dat is efficiënter, ieder onderdeel in het netwerk doet waar hij goed in is. Om innovatie te stimuleren zouden bedrijven hun uitvinders en succesvolle managers hoge posities in de organisatie moeten geven. En de overheid? Die moet fiscale maatregelen treffen om investeringen in onderzoek aantrekkelijk te maken. En geld vrijmaken voor onderwijs. “Dat hoeft helemaal niet veel te kosten”, stelt Volberda de zuinige politici gerust. “Voor investeringen in onderwijs volstaan vaak kleine bedragen, zeker in vergelijking met de Betuwelijn en de HSL.”

  • E-mail dit Artikel
  • RSS feeds
  • Nieuwsbrief