Nederland mort. Over het onderwijs, de zorg, de veiligheid en vooral over de ‘buitenlanders’. In de rijke polder is ontevredenheid troef. Paars heeft die niet kunnen wegnemen. Maar verwacht de burger niet het onmogelijke van de overheid?
De hevigste Pim-gekte is voorbij. In de peilingen verliest de lijst-Fortuyn terrein. Professor Pim heeft zijn onaantastbaarheid verloren na het tweede lijsttrekkersdebat, waarin hij op zijn nummer werd gezet door Paul Rosenmöller. Her en der in Den Haag klinkt een zucht van verlichting: nog even en dan zijn we van die nar af en wordt alles weer normaal.
Normaal? Nou nee, dat wordt het niet meer. Zelfs als de lijst-Fortuyn twaalf zetels haalt, dan nog pakt hij er bij zijn debuut meer dan beruchte, beroemde of al bijna vergeten partijen als NSB, Boerenpartij, D66, DS70 en AOV toen ze in de Kamer kwamen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in Rotterdam bracht Fortuyn een aardverschuiving teweeg. Bovenal heeft hij Nederland een spiegel voorgehouden, waarin we nog lang zullen turen.
Nog geen driekwart jaar geleden, toen Wim Kok zijn afscheid aankondigde als premier, werd Nederland geportretteerd als een rijk en sociaal land. De werkloosheid was verdwenen, de arbeidsparticipatie gestegen, de bedrijfswinsten op hoog niveau, werknemers hadden het goed, de zorgsector kreeg miljarden guldens en het sociale-zekerheidsstelsel hield stand.
De Duitse bondskanselier Gerhard Schröder en de Engelse premier Tony Blair waren trots op Kok. Nederland had het midden gevonden tussen het harde Amerikaanse kapitalisme en voorheen het socialisme. Nederland was af. Paars was tevreden en kon dat ook zijn, toch?
Inmiddels ligt dat hallelujabeeld aan diggelen. Nederland is een problemenland geworden. Een land vol vluchtelingen en Marokkaanse jeugdbendes, met verouderde scholen, een met overbodige managers volgepropte gezondheidszorg, met starre bureaucraten en een regering die voor de echte noden oog noch oplossing heeft. Zelfs The Economist keek ervan op dat het welvarende Nederland tot op het bot ontevreden bleek te zijn over de paarse regering.
De ‘buitenlanders’ vormen misschien wel het grootste ongenoegen dat lang met de mantel van de politiek correcte liefde is bedekt. Hans Janmaat van de Centrum Partij begon er ruim een decennium geleden al over. Hij kreeg nauwelijks steun omdat hij elke vorm van charisma miste en er in zijn buurt te veel mensen waren die roken naar geweld en fascisme. VVD’er Frits Bolkestein nam het stokje over, maar die vertrok naar Brussel. De rest van de politieke partijen sprak mooie woorden over de multiculturele samenleving, in de hoop het latente onbehagen – waarvan ze wisten dat het er was – te smoren.
Dat lukte niet. Fortuyn verwoordde het ongenoegen opnieuw en ditmaal sloeg het aan. Door de aanslagen op het World Trade Center en het Pentagon was het een stuk makkelijker dan vroeger om te fulmineren tegen ‘de moslims’ of ‘de islam’. Welke Nederlander voelde geen boosheid over die aanslagen? Wie was er niet verontwaardigd toen een aantal moslims in Nederland die aanslagen niet veroordeelde, maar toejuichte? Wie voelde geen fundamentele tegenstelling met de mensen die begrip konden opbrengen voor de bloedbaden in Amerika? Wie voelde geen angst voor nieuwe aanslagen?
Na 11 september kon de geest uit de fles. Veel Hollanders durven eindelijk te zeggen dat ze allochtonen niet verwelkomen alsof het hun favoriete oom of tante zijn. Ze zijn een beetje bang voor ‘buitenlanders’, voelen zich onzeker, niet meer helemaal thuis in hun buurt – al is er met hun Turkse buur niets mis. Cabaretiers maken eindelijk de harde moslimgrappen die ze jarenlang uit politieke correctheid hadden ingeslikt.
Er is meer onbehagen. Terwijl de werkloosheid is verdwenen en nog weinig mensen kunnen klagen over hun inkomen, rijzen er twijfels over de kwaliteit van het onderwijs, de zorg, de thuiszorg en de veiligheid op straat. Krijgen mijn kinderen nog wel een goede opleiding als de overheid bezuinigt en er steeds meer kinderen op school komen die nauwelijks Nederlands spreken? Word ik op tijd geholpen als ik ziek ben? Moet ik lang op een wachtlijst? Komt de hulp dan niet te laat? Krijgt mijn oude moeder wel genoeg aandacht van verpleegkundigen en hulpverleners? En kan ik na achten veilig de straat op? De erfenis van acht jaar Paars: we zijn van werk verzekerd, maar zitten vol onzekerheid en onvrede over het leven van alledag, de buren van morgen en de toekomst.
Waar onzekerheid troef is, heeft de politiek het al snel gedaan. Dan komen de altijd latent aanwezige ongenoegens over politici naar boven. Fortuyn maakt effectief gebruik van die wetenschap. Dus weerklinken de geluiden dat ‘zij in Den Haag’ niet luisteren naar burgers. Dat ‘dat zooitje in Den Haag’ alles in achterkamertjes bedisselt en er vooral zit om elkaar de prettige baantjes toe te schuiven. En dat ‘ze in Den Haag’ alleen hun zakken vullen. En dat politici – in het algemeen – hun werk niet doen en hun verantwoordelijkheid niet nemen. Zie Enschede, Volendam en Srebrenica.
De charismatische Fortuyn heeft zijn eerste succes binnen. Politiek is weer in. De discussies en debatten vliegen je om de oren, de traditionele partijen zijn wakker geschud. Ze vertellen dat ze echt iets hebben gedaan aan de problemen in zorg en onderwijs. Tegelijkertijd weten ze ook dat ze niet kunnen teren op het economische succesverhaal dat Nederland onder Paars was, dat Nederland nog niet af is en dat ze aan de slag moeten met de heersende ongenoegens. Dat laatste wil nog niet erg lukken.
Want waar moet Nederland over tien jaar zijn? Wat voor samenleving zien de partijen voor zich? Welke rol speelt de overheid daarin? Een antwoord hebben Ad Melkert, Hans Dijkstal, Thom de Graaf en Jan Peter Balkenende nog niet gegeven. En als ze het hebben, kunnen ze het niet zeggen in algemeen begrijpelijk Nederlands. Dat lukt professor Fortuyn veel beter.
Nu is dat antwoord ook niet makkelijk te geven. Neerlands ongenoegens liggen op een vlak waar de invloed van de politiek beperkt is en waar burgers zelf een bijdrage moeten leveren. Neem ‘de buitenlanders’. Die leiden tot een vaag gevoel van onbehagen. Maar wat is daar aan te doen?
‘De buitenlanders’ zijn voor een deel mensen uit Italië, Turkije en Marokko die hier in de jaren zestig kwamen werken omdat er in Nederland te weinig goedkope arbeidskrachten waren. Ze zijn Nederlander en anders zijn hun nazaten dat wel. Zelfs de ‘kut-Marokkanen’ aan wie Rob Oudkerk zich ergert, zijn geboren en getogen in Amsterdam en spreken Amsterdamser dan Oudkerk ooit zal kunnen. Veel van ‘de buitenlanders’ zijn voormalige rijksgenoten uit Indonesië, Suriname en de Antillen. En dan zijn er nog vluchtelingen en hun nazaten uit talloze streken die zijn gekomen omdat het in hun eigen land onveilig was.
Moeten al deze mensen het land uit? Dat kan niet – en wie wil dat eigenlijk, mensen deporteren? Dat gaat zelfs Fortuyn te ver. Hij wil alleen nieuwe asielzoekers tegenhouden, iets waar Paars overigens ook drukdoende mee is. Dat strengere asielbeleid heeft het gevoel van onbehagen niet weggenomen. Ook andere maatregelen, zoals de taal- en inburgeringscursussen voor nieuwkomers, hebben dat niet bewerkstelligd.
Dat is ook logisch. Echte integratie vindt pas plaats als allochtonen zelf beseffen dat inburgering belangrijk is en als Nederlanders beseffen dat allochtonen, ondanks die inburgering, toch anders zijn en blijven. Zelfs dan blijven de verschillende bevolkingsgroepen elkaar argwanend bekijken.
De taak van de politiek hierin? Eerlijk zijn! Enerzijds zal ze moeten erkennen dat het leeuwendeel van de allochtonen hier blijft en dat de meeste ‘buitenlanders’ de Nederlandse nationaliteit hebben. Anderzijds moet ze toegeven dat Nederland geen immigratieland is. Een immigratieland verwelkomt vreemdelingen, Nederland doet dat niet. Hier worden alleen mensen toegelaten die je de toegang om reden van humaniteit niet kunt weigeren en die zich herenigen met hun gezin. Helderheid is ook geboden over een toekomstige kwestie: houden we de grenzen gesloten als de vergrijzing toeslaat en er weer behoefte is aan arbeidskrachten die we zelf niet hebben?
Ook over onderwijs, zorg en veiligheid is helderheid gewenst, zelfs als politici daarbij tegen de haren van de kiezer in strijken. Die kiezer individualiseert en maakt graag zijn eigen keuzes. Maar als het om onderwerpen gaat die de gemeenschap raken, kijkt hij niet naar zichzelf maar naar de overheid. Dan verwacht hij perfectie en maatwerk van die overheid. Dat is te veel gevraagd. Zeker nu we het ideaal van de verzorgingsstaat achter ons hebben gelaten en de overheid met brede instemming meer overlaat aan verzelfstandigde en private instanties.
De vertegenwoordigers van de traditionele partijen geven inmiddels volmondig toe dat er in het onderwijs, de zorg en bij de politie heel wat verbeterd kan worden zonder dat dit extra geld kost. Maar als de overheid die verbeteringen kan doorvoeren, betekent dat nog niet dat er op elke straathoek een agent staat, dat een grote school verandert in drie kleine, dat een megaziekenhuis wordt vervangen door gezellige, efficiënte hospitaaltjes, dat de wachtlijsten verdwijnen en dat grootmoeder in haar zorginstelling net zo liefderijk wordt verzorgd als opoe veertig jaar geleden door haar eigen gezin.
Wie dat allemaal wel wil hebben, moet er zelf iets aan doen. Of veel meer belasting betalen. Of een particulier verpleegkundige, onderwijzer of bewakingsdienst inhuren. De overheid kan niet heksen. Ze moet een bepaald niveau van zorg, onderwijs en veiligheid bieden, helder beargumenteerd natuurlijk. De burger moet zelf zijn extra’s regelen en betalen.
Kan de huidige generatie politici dat uitleggen? Fortuyn heeft hun een lesje bestuurs- en communicatiekunde gegeven dat zijn uitwerking niet heeft gemist. Maar wervend zijn de traditionele partijen nog niet. Deels ligt dat aan het Haagse jargon waar de politici maar niet aan weten te ontsnappen. Deels ligt dat aan angst om eerlijk te zijn en deels ontbreekt een visie op de toekomst. Luisterend naar hen krijg je het idee dat Nederland af is en hoogstens nog een beetje bijgevijld moet worden – vanzelfsprekend na raadpleging van een groot aantal adviescommissies. Maar het ongenoegen leert dat er veel dingen beter kunnen. Hoogste tijd om duidelijk te maken wat de overheid daaraan kan doen en wanneer de burger het zelf moet uitzoeken.
Auteur(s): Koos Schwartz
Bron: FEM De Week , jaargang 5 , nummer 15 , datum 13-4-2002
Abonneer u op de gratis dagelijkse nieuwsbrief van fembusiness.nl
Neem een (proef)abonnement op FEM Business