Waarom kan de ene particulier pochen over zijn resultaten en grossiert de andere in treurige verhalen? Het verschil zit niet zo zeer in geluk, lef, intuïtie of visie, maar schuilt in een combinatie van zelfdiscipline en fantasie. FEM/DeWeek schetst profielen van beleggers die weten te scoren. Zelfs in slechte tijden.
Voor Henk van ’t Holt is beleggen simpel: kopen en vasthouden. De oudste Akzo Nobel-aandelen van deze zeventiger waren oorspronkelijk Koninklijke Zout-aandelen. Bij de vorming van Akzo in 1969 werden ze omgeruild voor Akzo-stukken. Hij heeft het concern in die jaren zien ontwikkelen van een onsamenhangende lappendeken van chemiebedrijven tot een goed gestructureerd en gefocust geheel. Verf en farma voeren tegenwoordig de boventoon en dat maakt Akzo Nobel redelijk ongevoelig voor de conjunctuur. “Het is een mooie belegging gebleken. Een aandeel Akzo Nobel dat nu 52,50 euro waard is, zou in 1969 bij de vorming van Akzo 2,75 euro waard zijn geweest en dan is het dividend nog buiten beschouwing gelaten.”
Zo geduldig als met Akzo was Van ’t Holt overigens niet altijd. Zijn eerste grote miskleun stamt uit het midden van de jaren zestig. Hij was erg enthousiast over biochemie en kocht aandelen Gist-brocades op een koers van 120 gulden. Binnen een halfjaar was de waarde gehalveerd en Van ’t Holt hield het teleurgesteld voor gezien.
Tegenwoordig gaat hij heel anders met dit soort tegenslagen om. “Ik heb biotechbedrijf Isotis bij de introductie gekocht voor tien euro. Ze produceren bot- en huidweefsel buiten het lichaam: een geweldige technologie. Het aandeel is ondertussen weggezakt tot 2,75 euro, maar daar zit ik absoluut niet mee. Kijk over tien of vijftien jaar nog maar eens naar dat fonds.”
Van ’t Holt heeft goede ervaringen met de kopen-en-vasthoudenstrategie. Die geeft hem een ruime voorsprong op nerveuze beleggers die vaak hun portefeuille muteren.
Beleggen is een ervaringsvak dat de succesvolle belegger niet behoedt voor misgrepen, maar wel voor grote ongelukken. Het belangrijkste voordeel dat een ervaren belegger heeft ten opzichte van een beginner, is dat hij risico’s beter kan inschatten. Hij is paniekbestendiger en eerder bereid verlies te nemen.
Universitair hoofddocent Ben Jacobsen van de Erasmus Universiteit Rotterdam en lid van het managementteam van Investment Insight stelt: “In het algemeen durven ervaren beleggers meer risico aan.” Maar dit betekent niet dat deze oude rotten ontspannen de gevaarlijkste capriolen uithalen op de beursvloer. Jacobsen: “Integendeel. Hoe ouder ze worden, hoe voorzichtiger ze opereren.”
Elly Haest-Bastiaansen lijkt zich juist aan die wet te onttrekken. Ze heeft Sara gezien, maar is niet van de optiebeurs weg te slaan. Haar favoriete tijdverdrijf was tot voor kort het kopen van kortlopende putopties. In december vorig jaar propageerde ze in FEM/DeWeek puts op onder meer de AEX, ASML, Aegon, VNU en Van der Moolen. Dat pakte heel aardig uit.
Haest-Bastiaansen baseert haar strategie op technische analyse: een techniek waarbij beleggers koerspatronen uit het recente verleden extrapoleren naar de toekomst. Technische analyse is bepaald niet onomstreden, maar heeft ook fervente aanhangers. Haest-Bastiaansen vertrouwt al sinds 1995 volledig op haar koersgrafieken. Tot nu toe herhaalde de geschiedenis zich in 95 procent van de gevallen, signaleert ze tevreden.
Het geheim van haar succes is dat ze zich niet gek laat maken door de overkill aan informatie die minder succesvolle beleggers bijna dagelijks verleidt om van de ene naar de andere strategie te switchen. Haest-Bastiaansen handhaaft een ijzeren discipline. Ze koopt bijvoorbeeld in een neergaande beurs putopties met een uitoefenkoers die dicht bij de koers van het onderliggende aandeel ligt, at the money-opties in beursjargon. Zulke opties reageren lekker snel op koersbewegingen van het onderliggende aandeel. Ze verkoopt de puts zodra ze op honderd procent winst staan. Verstandig, want kortlopende opties kunnen beleggers die het onderste uit de kan willen halen, grote verliezen bezorgen. Naarmate de afloopdatum dichterbij komt, kunnen ze razendsnel waardeloos worden.
Haest-Bastiaansen beseft de risico’s van haar optiehandeltje, maar laat zich door niets of niemand van de wijs brengen. Zeker niet met emotionele argumenten. In december zei ze: ‘Bij mij gaat het altijd fout als ik mijn gevoel laat meespreken of te veel waarde hecht aan advies van anderen.’
Daar neemt ze geen woord van terug: “Veel mensen vinden het riskant wat ik doe. Maar wat is er toch zo riskant aan puts kopen in een dalende markt. Ik houd me alleen maar aan mijn technische-analyseprogramma en ik heb geleerd dat ik daar op kan vertrouwen.”
Speculatieve klanten als Haest-Bastiaansen zijn griezelig voor banken. Want als het een keer fout gaat, dan verschijnen veel speculatieve beleggers boos aan het loket om een deel van de schade te claimen. De bank heeft immers een zorgplicht en had ze dus moeten behoeden voor hun al te riskante strategie.
Ben Jacobsen: “Mensen hebben de natuurlijke neiging om goede prestaties aan zichzelf toe te rekenen en externe oorzaken aan te wijzen als het misgaat. Volgens psychologen is dat een soort overlevingsmechanisme. Het is dus heel menselijk om te proberen die schade te verhalen.”
Voor banken en commissionairs is dat minder plezierig, zeker omdat claims van beleggers de laatste jaren steeds vaker worden gehonoreerd. De Dutch Securities Institute, het klachteninstituut van de financiële sector, heeft in een aantal recente uitspraken de zorgplicht van banken en commissionairs behoorlijk aangescherpt. De bank die zijn klanten maar wat laat aanrommelen op de beurs, loopt grote risico’s.
De strengere zorgplicht dwingt banken ertoe profielen op te stellen van al hun beleggende klanten. De Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer laat daar geen misverstand over bestaan. “De Autoriteit Financiële Markten gaat er dit jaar scherp op toezien”, waarschuwt Ben Jacobsen.
Zo’n wettelijke regeling is echter sneller op papier geformuleerd dan in de praktijk uitgevoerd. “De financiële instellingen zitten met hun handen in het haar”, stelt Jacobsen. Want het blijkt behoorlijk lastig om klanten in profielen te gieten. De zwaarst wegende objectieve criteria zijn nog wel hanteerbaar te maken. Een beleggersprofiel wordt uiteraard bepaald door iemands vermogenspositie, het bedrag dat hij wil beleggen, zijn beleggingshorizon, het doel van zijn beleggingen, het verwachte aantal mutaties en zijn ervaring. Maar vooral ook door zijn ‘risicoprofiel’, meent Jacobsen. En dat is een zeer subjectief begrip. Het gaat om de vraag hoeveel risico een belegger persoonlijk wil accepteren.
Het kerncriterium van zo’n profiel is volgens Jacobsen hoeveel risico de belegger aankan zonder ’s nachts wakker te liggen. “Wetenschappelijk is dit exact te bepalen.” Met Investment Insight heeft hij een module ontwikkeld, waarbij beleggers met een korte vragenlijst worden gescreend op hun bereidheid beleggingsrisico’s te accepteren. Soms gebruikt hij een stresstest als aanvulling om helder te krijgen welk bedrag een belegger als maximaal verlies accepteert in een worst case-scenario. Uit zo’n screening rolt uiteindelijk een concreet advies voor de modelportefeuille van de individuele belegger: welk percentage van zijn geld kan hij in aandelen stoppen, hoeveel in obligaties en hoeveel moet hij risicomijdend op een spaarrekening zetten. De belegger die zich hier gedisciplineerd aan houdt, loopt de minste kans op ontwikkelingen in zijn portefeuille waar hij emotioneel niet tegen opgewassen is.
De module van Investment Insight is veel geavanceerder dan de vragenlijstjes die beleggers op de sites van veel banken kunnen vinden. Jacobsen: “Die hebben een hoog Cosmo-gehalte. Ze geven bij verschillende banken schrikbarend grote verschillen in adviezen voor de modelportefeuille bij dezelfde risicobereidheid. Dat kan uiteenlopen van honderd procent in obligaties tot zeventig procent in aandelen.”
Arie Quax is een pijnlijk voorbeeld van wat er mis kan gaan als een bank een klant gaat adviseren zonder vooraf een degelijk beleggersprofiel samen te stellen. De nu vijftigjarige Quax besloot dat het in 1998 tijd werd om een graantje mee te pikken van de niet te stuiten hausse op de aandelenmarkten. Hij wendde zich tot zijn ING-bank. Zijn adviseurs regen vervolgens de ene blunder na de andere aan elkaar. “Ze duwden me onmiddellijk in de richting van de snelle groeiers. Bijvoorbeeld een warrant, een soort langlopende calloptie, op Softbank, de Japanse internetbank. Ik kocht ze voor 7,50 euro per stuk. Dat was spotgoedkoop, zeiden ze. Die zou zo naar de 33 euro lopen. Hij is nu nog een paar eurocent waard.”
Versatel en KPNQwest waren andere ‘gouden’ adviezen. Winst nemen werd Quax ten zeerste afgeraden, want je springt niet uit een rijdende trein. Quax’ suggestie om Getronics te vervangen door een voedingsfonds werd min of meer weggehoond. Hij kreeg zelfs het advies om zijn ING-aandelen in te ruilen voor nog meer Getronics.
Van maart tot juni 2000 kelderde de Nasdaq van 5000 tot 3200 punten. In september was er weer herstel tot 4200 punten. Quax’ voorzichtige voorstel om nu maar verlies te nemen werd weggewuifd. “Technisch ligt de weg vrij voor nieuwe recordhoogten, meneer Quax.” Vervolgens daalde de Nasdaq tot tweeduizend punten. Op die manier verloor Quax zestig procent van zijn belegde vermogen. De bank gaf Quax te kennen geen enkele verantwoordelijk te kunnen nemen voor de verliezen. Hij had namelijk ook zelf gehandeld via een online orderdienst.
Quax was in 1998 een behoorlijk avontuurlijke belegger, die best een flink accent op aandelen aankon en ook graag een paar procent van zijn vermogen speculatief wilde beleggen. Maar de extreem speculatieve beleggingen die zijn bank hem adviseerde, waren totaal misplaatst. Te meer daar Quax onervaren was en juist bij zijn bank aanklopte om beginnersfouten te voorkomen.
Banken die hun klanten vandaag zo nonchalant tegemoet treden worden gevoelig voor claims. De nieuwe regels over zorgplicht zijn sinds begin januari van kracht. Verreweg de meeste banken laten het op dit moment echter bij een zorgvuldiger naleving van hun oude interne regels. Achter de schermen wordt ondertussen hard gewerkt aan een nieuw systeem met nauwkeurige beleggersprofielen. Jacobsen verwacht dat over een jaar of vijf alle banken hun zorgplicht op deze leest geschoeid zullen hebben: “Van de reguliere banken zijn, zoals altijd, de grootste partijen het verst, maar op internet zijn al verschillende diensten die gebruik maken van varianten van onze modules. Via MoneyPlanet.nl en Parq.nl kunnen beleggers hun profiel laten vaststellen. Voor de banken worden geavanceerde systemen om tot goede profielbepalingen te komen steeds meer need to have in plaats van nice to have.”
Hoe moeilijk het is iemand uit de losse pols in te delen in een bepaalde categorie, blijkt uit Thijs van den Berg. Deze 31-jarige scoort op zo’n beetje alle objectieve beoordelingscriteria een dikke plus. Hij is jong, heeft een lange beleggingshorizon en kan het zich dus veroorloven behoorlijk wat risico te lopen. Hij studeerde in Delft af op een programma waarmee koersbewegingen te voorspellen zijn. Enkele jaren geleden bouwde hij voor eigen rekening een programma dat zonder tussenkomst van mensen winstgevend in Standard & Poor’s-indexfutures kon beleggen. Na zijn studie werkte hij bovendien vier jaar als marketmaker op de optiebeurs. Daaraan hield hij een flink vermogen over en aan kennis op het gebied van beleggen ontbreekt het hem ook niet. Zo iemand moet op zijn minst een avontuurlijke belegger zijn, zou de bank verwachten.
Toch heeft Van den Berg nu al zijn geld op een internetspaarrekening staan. “In de nabije toekomst wil ik ook nog wat staatsleningen kopen. In het vastgoedfonds Uni-Invest, met zijn hoge dividenduitkering, overweeg ik ook wat geld te stoppen.” Van den Berg ziet ook wel brood in een optieconstructie die geld oplevert zolang de markt zijwaarts blijft bewegen. “Maar verder wil ik niet gaan met het nemen van risico’s. Mijn frustratietolerantie is te laag om dat aan te kunnen. En laten we eerlijk zijn, heel wat beleggers zullen zich na maart 2000 hebben afgevraagd waarom ze hun geld niet eerder uit de markt hebben gehaald en op een spaarrekening gezet. Mijn rendement is ongeschonden door die crash heen gekomen.”
Van den Berg is ondanks al zijn ervaring op de optiebeurs dus een defensieve belegger, met een duidelijke visie op het beursklimaat.
Volgens de jurist William Schonewille, specialist op het gebied van zorgplicht bij het Haagse advocatenkantoor Barents & Krans, is in de aangescherpte regelgeving vooral de positie van de klant die alleen orders doorgeeft verbeterd. “Ook van zulke klanten moeten banken nu een basisprofiel hebben. En ze moeten hen waarschuwen bij orders die buiten het profiel vallen. Als de klant zijn order dan toch wil doorzetten, moet de bank achteraf kunnen aantonen wel degelijk te hebben gewaarschuwd.”
Een internet-beursorderdienst als Alex is niet vrijgesteld van deze verplichting. Schonewille verwacht dat in de nabije toekomst klanten een waarschuwing op hun scherm krijgen als ze hun risicoprofiel negeren. Pas wanneer de belegger overtuigend heeft aangegeven toch door te willen gaan, wordt de verbinding weer vrijgegeven.
In de nieuwe situatie geldt dat hoe hoger het risicoprofiel, hoe minder de belegger zich achteraf kan beroepen op de zorgplicht van de bank. Schonewille: “Maar er blijven natuurlijk grijze gebieden en er zullen altijd weer adviseurs zijn die hun boekje te buiten gaan. Je kunt het nooit helemaal dichttimmeren.”
Fiel van der Veen zal niet snel met zijn bank overhoop liggen over de begeleiding waarop hij recht heeft. Van der Veen weet namelijk precies waarmee hij bezig is. “Ik ben 57 en zelfstandig. Ik beleg voor mijn pensioen. Weinig risico en onderhoud, dat is wat ik wil. Daarom beleg ik 45 procent van mijn geld in obligatiefondsen en de rest in aandelenfondsen. Ik zorg voor een goede spreiding over de belangrijkste regio’s in de wereld en de tijd moet de rest doen.”
Goed beschouwd is Van der Veen minder afkerig van risico’s dan hij doet voorkomen. Hij zit bijvoorbeeld al sinds 1988 in een beleggingsfonds gespecialiseerd in opkomende markten. Hij maakte de Aziatische hype en de ineenstorting mee. Geen probleem vindt hij. “Over de hele periode is mijn jaarrendement op dat fonds te vergelijken met dat van een Nederlandse staatslening en wie weet wat er weer gaat komen.”
Van der Veen is een voorbeeld van een belegger die in de loop der jaren bedachtzamer is geworden. “Rond mijn veertigste was ik een zeer actieve belegger, maar mijn rendement was maar vijf à zes procent per jaar. Ik was er te weinig mee bezig om echt succesvol te zijn. Met mijn huidige aanpak doe ik het gemiddeld een stuk beter.”
Veel interen is een kostbare hobby. Vandaar dat Ben Jacobsen zweert bij kopen-en-vasthoudenstrategie en weinig fiducie heeft in beleggers die altijd in de weer zijn met het verslaan van beursindices.
Voor beleggers die toch niet eindeloos stil kunnen zitten, heeft Jacobsen een oude beurswijsheid op de plank liggen: Sell in may en go away, een belegger moet op 4 mei verkopen en pas weer instappen op 28 oktober. Dit is een van de zeldzame beurswetten die wetenschappelijk getoetst is en juist bevonden. Jacobsen, apetrots: “Ik heb net een artikel hierover in de American Economic Review geaccepteerd gekregen!”
Kader bij artikel:
De perfecte belegger is failliet
Tot diep in de jaren negentig dwong een dag en nacht stampende supercomputer in Greenwich, Connecticut, ongelooflijk veel respect af op Wall Street. Met geavanceerde, ultrageheime software, ontwikkeld door onder anderen twee Nobelprijswinnaars, haalde de exclusieve beleggingsmaatschappij Long Term Capital Management jaar in, jaar uit opmerkelijk hoge rendementen voor enkele honderden Amerikaanse multimiljonairs.
LTCM had een soort arbitragestrategie. Het probeerde op grote schaal te profiteren van minieme, theoretisch niet te rechtvaardigen discrepanties tussen obligatiekoersen en prijzen van obligatiefutures (termijncontracten). Flinterdunne winstmarges telden op tot enorme winsten dankzij de grote schaal van de transacties en het gebruik van absurd veel geleend geld. De topeconoom Merton Miller vroeg een van LTCM’s beleggingsstrategen, zijn collega-econoom Myron Scholes, wat die daar in Greenwich toch precies uitspookte. “Myron vertelde me dat ze overal ter wereld stuivers aan het opzuigen waren”, zei Miller tegen The Wall Street Journal. LTCM dacht praktisch risicoloos geld te kunnen aftappen van de financiële markten.
Eind augustus 1998 ging het mis, en goed ook! Op alle fronten. Obligatie- en derivatenmarkten waar LTCM zeer grote posities had ingenomen, vielen volledig droog. LTCM zat opgesloten in zijn posities. In een paar dagen liepen de verliezen in de miljarden dollars. De autoriteiten moesten voorkomen dat het bankroet van LTCM zou leiden tot een complete instorting van de financiële markten.
Oorzaak van de plotselinge val van LTCM was de Russische president Boris Jeltsin, die geheel onverwachts de vaste koers van de roebel tegenover de dollar losliet. LTCM’s computer had de ijzeren discipline om onder alle omstandigheden aan de succesvolle strategie vast te houden, maar miste de fantasie om rekening te houden met wat een mentaal zwakke, wanhopige Russische president op financiële markten teweeg kan brengen.
Kader bij artikel:
Thijs van den Berg
Thijs van den Berg (31) werkt voor Nuon en ontwikkelt daar modellen voor risicomanagement. Hoewel hij als voormalig marketmaker op de optiebeurs veel afweet van beleggen en ook flink wat vermogen achter de hand heeft, mijdt hij risico’s. “Ik ken mijn beperkingen. Als het om mijn eigen geld gaat, frustreert het me veel te veel als de zaken tegenzitten.”
Zijn beste prestatie vindt hij dat de ineenstorting van de beurs vanaf maart 2000 aan hem voorbij is gegaan, omdat hij alleen in obligaties en deposito’s belegt en aandelen mijdt. Maar als het tij keert op de aandelenmarkten, zou hij zich wel eens snel een ambitieuzer profiel kunnen aanmeten.
Een risicomijdende belegger als Thijs van den Berg valt voor een bank in de categorie extreem defensief. Zijn ruime ervaring op de optiebeurs heeft hem duidelijk een beter dan gemiddeld gevoel voor timing opgeleverd. Als zijn intuïtie hem niet te vaak in de steek laat, kan hij er heel goed mee scoren. Beleggers die een omslag in het beurssentiment tijdig signaleren, staan vaak in de bovenste regionen van de rendementsranglijsten. Daar kan geen fundamentele analist tegen op.
Fiel van der Veen
Fiel Van der Veen (55) belegt sinds een jaar of twaalf puur voor zijn pensioen. De illustrator heeft zijn portefeuille daarop ingericht. Hij heeft ongeveer evenveel geld in obligatiefondsen als in aandelenfondsen zitten. De aandelenfondsen zijn zo gespreid dat alle belangrijke regio’s in de wereld zijn vertegenwoordigd.
In het verleden heeft Van der Veen zeer actief belegd en haalde daarmee jaarrendementen tussen de vijf en zes procent. Tegenwoordig wijzigt hij zijn portefeuille vrijwel nooit meer, maar haalt wel aanzienlijk hogere rendementen. “Dat beschouw ik als mijn grootste beleggingssucces.”
Van der Veen is niet helemaal wars van risico’s. Zo zit hij al sinds 1988 in een opkomende-marktenfonds. “Ik heb de grote hype meegemaakt en de totale ineenstorting. Toch heb ik op dat fonds een gemiddeld jaarrendement dat niet onderdoet voor een Nederlandse staatslening.”
Hoewel Van der Veen zichzelf beschouwt als een defensieve belegger, valt hij in de categorie neutraal.
Henk van ‘t Holt
Henk van ’t Holt (70) heeft zijn geld altijd verdiend als octrooigemachtigde. Tot zijn 55ste was hij in dienst van Akzo Nobel. Daarnaast heeft hij zich vrij gevestigd. Van ’t Holt belegt al zo’n veertig jaar. Hij gelooft niet in veel muteren en heeft aandelen in portefeuille die er al meer dan dertig jaar in zitten. Dat beschouwt hij als een groot succes, want kwaliteitsbedrijven leveren op zo’n lange termijn altijd een goed gemiddeld rendement op.
Een misser vindt hij dat hij Gist-brocades in het midden van de jaren zestig, na een enorme koersdaling, heeft afgestoten. “Als ik het aandeel had vastgehouden zou die daling op den duur een onbetekenend dipje in de koersgrafiek zijn geworden.”
Als octrooigemachtigde is Van ’t Holt erg gespitst op interessante nieuwe technologieën. De afgelopen tien jaar heeft hij naast blue chips ook een aantal bedrijven met een interessante technologie in portefeuille genomen. Van ’t Holts voorkeur voor kleinere en riskantere fondsen maakt hem toch een avontuurlijke belegger.
Elly Haest-Bastiaansen
Elly Haest-Bastiaansen (50) begon in 1995 te beleggen met geld dat vrijkwam door de gedeeltelijke verkoop van het boerenbedrijf van haar en haar man. Zij is vooral een optiebelegger. Haar beleggingsdoel is ‘het bij elkaar krijgen van een leuk appeltje voor de dorst’.
Haar grootste succes is dat ze heeft geleerd om heel effectief met technische analyse om te gaan. Ze stelt dat ze door de grafieken juist te interpreteren ze in 95 procent van de gevallen de spijker op zijn kop slaat.
Haar grootste fout vindt ze dat ze in haar beginperiode de bankadviseurs serieus nam. “Ik herinner me bijvoorbeeld dat ik op aandringen van de bank eens een putoptie op de AEX van de hand heb gedaan. Als ik op mijn eigen oordeel was afgegaan, had ik met die putoptie heel veel geld kunnen verdienen.”
Haar gemiddelde jaarrendement ligt tussen de vijftien en twintig procent.
Haest-Bastiaansen vindt dat ze door haar consequente gebruik van technische analyse niet overdreven riskant bezig is. Toch zou een bank haar beschouwen als een speculatief belegger.
Zie voor ‘profielen’ complete pdf-pagina; pag. 66, 67, 68, 69
Auteur(s): Peter Hendriks, Remko Nods
Bron: FEM De Week , jaargang 5 , nummer 15 , datum 13-4-2002
Abonneer u op de gratis dagelijkse nieuwsbrief van fembusiness.nl
Neem een (proef)abonnement op FEM Business